{"id":812,"date":"2014-04-04T12:00:00","date_gmt":"2014-04-04T12:00:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=812"},"modified":"2023-05-10T17:23:03","modified_gmt":"2023-05-10T17:23:03","slug":"f-h-e-v-kingdom-of-belgium-belgocontrol-et-al","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=812","title":{"rendered":"F.H-E. v Kingdom of Belgium, Belgocontrol et al."},"content":{"rendered":"\n<h6>Supreme Court, F.H.-E. v Kingdom of Belgium, Belgocontrol et al., Nr. C.11.0521.F, 4 April 2014<\/h6>\n\n\n\n<p>After the bankruptcy of Air Za\u00efre, the Congolese minister of transportation designated Scibe Airlift as the temporary instrument of exploitation of the DCR\u2019s air traffic rights under the 1965 air services agreement between the DCR and Belgium. This designation was subsequently approved by his Belgian colleague.<br><br>The bankruptcy curator for Air Za\u00efre challenged the latter move, arguing that the approval constituted a fault within the meaning of article 1382 of the Belgian civil code, as the abovementioned agreement, which had not been made public, designated Air Za\u00efre as the holder of DCR\u2019s air traffic rights.<br><br>The Supreme Court recalled the judgement of the Court of Appeal, which held that, by accepting the designation of Scibe Airlift, Belgium had simply complied with its obligations under the 1965 agreement; that a State which signs an international treaty must implement that treaty in good faith and cannot therefore be accused of wrongdoing when it fulfils those obligations; and that the claimant had argued in vain that the Belgian State had deprived her of her rights and could not have done so by virtue of an undisclosed treaty, which could not be held against it. By so doing, the Court of Appeal had merely raised against the claim before it the limits which Article III of the 1965 placed on the right that the claimant sought to derive from that provision. The action for annulment was accordingly dismissed.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2023\/05\/id_tyragpnm.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n\n\n\n<p><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/1<br \/>\nHof van Cassatie van Belgi\u00eb<br \/>\nArrest<br \/>\nNr. C.11.0521.F<br \/>\nF. H.-E., advocaat bij de balie te Brussel, in haar hoedanigheid van curator van<br \/>\nhet faillissement van Air Za\u00efre, vennootschap naar publiek recht,<br \/>\nMr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,<br \/>\ntegen<br \/>\n1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Mobiliteit,<br \/>\nMr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,<br \/>\n2. BELGOCONTROL,<br \/>\n3. THE BRUSSELS AIRPORT COMPANY.<br \/>\nI. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF<br \/>\nHet cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 20 december 2010 van het hof<br \/>\nvan beroep te Bergen, dat uitspraak doet op verwijzing ten gevolge van het arrest<br \/>\nvan het Hof van 28 september 2007.<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/2<br \/>\nOp 17 maart 2014 heeft procureur-generaal Jean-Fran\u00e7ois Leclercq een conclusie<br \/>\nneergelegd ter griffie.<br \/>\nAfdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en eerste advocaatgeneraal<br \/>\nJean-Fran\u00e7ois Leclercq heeft geconcludeerd.<br \/>\nII. CASSATIEMIDDELEN<br \/>\nDe eiseres voert de volgende twee middelen aan.<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nTweede middel<br \/>\nGeschonden wettelijke bepalingen<br \/>\n&#8211; algemeen rechtsbeginsel dat de bekendmaking van de verdragen, wetten en verordeningen<br \/>\noplegt, zoals dat rechtsbeginsel kan worden afgeleid uit de artikelen 167, \u00a7 2,<br \/>\nen 190 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet van 17 februari 1994, uit de artikelen 68 en<br \/>\n129 van de Grondwet van 7 februari 1831, uit de wet van 31 mei 1961 betreffende het<br \/>\ngebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en in werking treden<br \/>\nvan wetten en verordeningen, uit de artikelen 22, 54 tot 56 en 84 van de bijzondere<br \/>\nwet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, uit de artikelen 46 tot 48<br \/>\nen 53 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de<br \/>\nDuitstalige Gemeenschap en uit de artikelen 8, 32 tot 33, 39, 45 tot 46, 52, 69, 70bis<br \/>\nen 73 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen,<br \/>\nen, voor zover nodig, schending van die bepalingen;<br \/>\n&#8211; de artikelen 68 (zoals het was gesteld v\u00f3\u00f3r de herziening ervan op 5 mei 1993), 128 en<br \/>\n129 van de Grondwet van 7 februari 1831;<br \/>\n&#8211; de artikelen 149, 167, 190 en 191 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet van 17 februari<br \/>\n1994;<br \/>\n&#8211; Akkoord van 10 september 1965 tussen de Democratische Republiek Congo en het<br \/>\nKoninkrijk Belgi\u00eb betreffende het luchtverkeer, goedgekeurd bij de wet van 14 april<br \/>\n1965 betreffende de internationale akkoorden die voorzien in een vreedzame beslechting<br \/>\nvan internationale geschillen, inzonderheid de artikelen II, III, V en VI van dat<br \/>\nakkoord en, voor zover nodig, de wet tot goedkeuring van dat akkoord;<br \/>\n&#8211; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.<br \/>\nAangevochten beslissingen<br \/>\nHet bestreden arrest verklaart het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond en beveelt,<br \/>\nalvorens verder uitspraak te doen over het hoofdberoep van de verweerders en onverminderd<br \/>\nde beslissende redenen van dat arrest, de heropening van het debat over de in<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/3<br \/>\nde redenen van dat arrest vermelde vragen, die alle betrekking hebben op de omvang van<br \/>\nde schade.<br \/>\nHet incidenteel beroep van de eiseres wordt inzonderheid verworpen om de volgende redenen:<br \/>\n\u201cDe aanvaarding, door de [verweerders], van de aanwijzing van Scibe Airlift door de<br \/>\nZa\u00efrese Staat<br \/>\n[De eiseres] verwijt de [verweerders] dat zij een fout hebben begaan door de beslissing<br \/>\ngoed te keuren van de Za\u00efrese minister voor Transport, die op 5 juli 1995 tijdelijk de<br \/>\nvennootschap Scibe Airlift heeft aangewezen als exploitatie-instrument van de verkeersrechten<br \/>\ndie voortvloeien uit het Belgisch-Za\u00efrees akkoord van 10 september 1965.<br \/>\n[De eiseres] voert aan dat, enerzijds, die beslissing onwettig zou zijn omdat ze niet voldoet<br \/>\naan de formele motiveringsplicht en omdat ze steunt op een niet-bekendgemaakt<br \/>\nverdrag dat haar niet kan worden tegengeworpen en dat, anderzijds, de [verweerders]<br \/>\nniet zouden hebben gehandeld zoals elke redelijkerwijs bedachtzame en omzichtige overheid.<br \/>\nDe aanwijzing, door een van de Staten die partij zijn bij een luchtvaartakkoord dat is gesloten<br \/>\nop grond van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale<br \/>\nburgerluchtvaart, is een bevoegdheid die de voormelde Staat uitoefent in het kader<br \/>\nvan haar openbare macht en die, onder bepaalde voorwaarden, door de andere Staat<br \/>\nmoet worden ge\u00eberbiedigd.<br \/>\nAangenomen wordt dat het onaantastbare karakter van de aanwijzing van de luchtvaartmaatschappij<br \/>\ndoor twee factoren kan worden beperkt:<br \/>\n&#8211; ten eerste kan de Staat in zijn wetgeving de voorwaarden voor de aanwijzing van de<br \/>\nluchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen hebben bepaald;<br \/>\n&#8211; ten tweede is het mogelijk dat de medeondertekenende Staat de aangewezen luchtvaartmaatschappij<br \/>\nniet aanvaardt omdat zij niet beantwoordt aan bepaalde voorwaarden van,<br \/>\nbijvoorbeeld, toezicht en beheer door onderdanen van het land die de luchtvaartmaatschappij<br \/>\naanwijst of omdat zij de regels van het akkoord of van internationale verdragen<br \/>\nniet naleeft.<br \/>\nOnder dit voorbehoud is het onbetwist dat de aanwijzing van een of meerdere luchtvaartmaatschappijen<br \/>\ndoor een Staat, een soevereine beslissing is ten aanzien van de andere<br \/>\nStaat.<br \/>\nTe dezen vielen zowel de beslissing waarbij destijds de vennootschap Air Za\u00efre werd<br \/>\naangewezen als exploitatie-instrument van de verkeersrechten die voortvloeiden uit het<br \/>\nBelgisch-Za\u00efrees akkoord van 10 september 1965 als die waarbij vervolgens de vennootschap<br \/>\nScibe Airlift werd aangewezen, onder de soevereine bevoegdheid van de Republiek<br \/>\nZa\u00efre.<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/4<br \/>\nWelnu, [de eiseres] betoogt noch bewijst dat de beslissing van die Staat om de vennootschap<br \/>\nAir Za\u00efre te vervangen door de vennootschap Scibe Airlift als exploitatieinstrument<br \/>\nvan de verkeersrechten die voortvloeiden uit het akkoord van 1965 onwettig \u2013<br \/>\nwaarbij een dergelijke onwettigheid moet worden beoordeeld in het licht van het op die<br \/>\nbeslissing toepasselijke recht, te dezen het Za\u00efrese recht \u2013 of onrechtmatig zou zijn. [De<br \/>\neiseres] heeft die Staat overigens nooit aansprakelijk gesteld voor het nemen van een<br \/>\ndergelijke beslissing.<br \/>\nDie beslissing moest door de Belgische Staat worden ge\u00eberbiedigd, aangezien deze de<br \/>\naangewezen vennootschap de exploitatievergunning enkel had kunnen weigeren indien ze<br \/>\nniet voldeed aan de voorwaarden van artikel III, 3 en 4, van het verdrag van 1965. De<br \/>\nweigering van een dergelijke exploitatievergunning past binnen het kader van een gebonden,<br \/>\nen niet van een discretionaire, bevoegdheid.<br \/>\nEvenwel wordt noch aangevoerd noch aangetoond dat de vennootschap Scibe Airlift die<br \/>\nvoorwaarden niet zou hebben vervuld.<br \/>\n[De eiseres] voert tevergeefs aan dat de Belgische Staat haar de rechten die zij meent te<br \/>\nhebben verkregen, zou hebben ontnomen en dat hij dat niet kon doen op grond van een<br \/>\nniet-bekendgemaakt verdrag, dat haar derhalve niet kan worden tegengeworpen.<br \/>\nZoals hierboven is gezegd, is de Belgische Staat immers niet degene die haar de rechten<br \/>\nheeft ontnomen en heeft hij, door die aanwijzing te aanvaarden, gewoon voldaan aan de<br \/>\nverplichtingen die hij krachtens het verdrag van 1965 moet eerbiedigen en die hij niet<br \/>\nnaast zich kan neerleggen. Een Staat die een internationaal verdrag ondertekent, moet<br \/>\ndat verdrag te goeder trouw uitvoeren en kan bijgevolg niet worden verweten dat hij een<br \/>\nfout heeft begaan wanneer hij die verplichtingen nakomt.<br \/>\n[De eiseres] beweert tevergeefs dat de Belgische Staat zich tegen die aanwijzing had<br \/>\nkunnen verzetten en betoogt dienaangaande dat de Belgische Staat geweigerd had de beslissing<br \/>\nvan de Za\u00efrese Staat om de litigieuze rechten in april 1996 opnieuw aan de<br \/>\n\u201cmaatschappij Air Za\u00efre\u201d toe te kennen, te erkennen.<br \/>\nUit de brief van de Za\u00efrese minister van Transport en Communicatie van 9 april 1996,<br \/>\nwaarin hij de ontvangst van de brief van zijn Belgische ambtsgenoot bevestigt en die weigering<br \/>\nvaststelt \u2013 het enige stuk dat in dat verband is voorgelegd \u2013 volgt immers dat die<br \/>\nweigering is ingegeven door \u201chet geschil tussen de maatschappij Air Za\u00efre en sommige<br \/>\nleden van haar Brussels personeel\u201d.<br \/>\nUit die brief blijkt ook dat de Za\u00efrese Staat weigerde de faillietverklaring, door een Belgische<br \/>\nrechter, van de maatschappij Air Za\u00efre te erkennen, waarbij die Staat zich erover<br \/>\nverwonderde dat \u201ceen nationale maatschappij vanaf een filiaal failliet kan worden verklaard\u201d.<br \/>\nEr dient opgemerkt dat het hof van beroep te Brussel, in het kader van de procedure van<br \/>\nfaillietverklaring, geoordeeld heeft dat het karakter van bijkantoor, zoals door de maatschappij<br \/>\nAir Za\u00efre aangevoerd, fictief was, dat die maatschappij immers van haar pseu-<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/5<br \/>\ndo-statuut van vennootschap naar openbaar Za\u00efrees recht gebruikmaakte om zich aan<br \/>\nhaar verplichtingen te onttrekken en de Belgische regels van het faillissement, die van<br \/>\nopenbare orde zijn, te trachten te omzeilen, waarbij de maatschappelijke zetel van die<br \/>\nmaatschappij, die zogezegd in Kinshasa was gevestigd, in werkelijkheid te Brussel gelegen<br \/>\nwas.<br \/>\nBijgevolg was de maatschappij waaraan de Za\u00efrese Staat in april 1996 opnieuw de litigieuze<br \/>\nrechten wou toekennen, voor Belgi\u00eb een failliete maatschappij die haar activiteiten<br \/>\nhad stopgezet en dus niet meer voldeed aan de in de in het verdrag van 1965 bepaalde<br \/>\nvoorwaarden tot toekenning van de exploitatievergunning, wat die weigering dan ook kon<br \/>\nverantwoorden. De situaties zijn dus niet vergelijkbaar.<br \/>\nGesteld, ten slotte, dat de door de Za\u00efrese Staat opgemaakte akte van aanvaarding van de<br \/>\naanwijzing moet voldoen aan de formele motiveringsplicht van de administratieve akten,<br \/>\nmoet vooralsnog worden aangenomen dat het vormgebrek, dat zou voortvloeien uit een<br \/>\neventueel gebrek aan motivering, geen gevolgen zou hebben, aangezien op grond van de<br \/>\nvoormelde gegevens kan worden aangetoond dat de beslissing, zonder dat vormgebrek,<br \/>\ndezelfde was geweest en dat de schade die de curatele aanvoert, namelijk de ontzegging<br \/>\nvan het recht tot exploitatie van het Belgisch-Za\u00efrese luchtverkeer, niet voortvloeit uit dat<br \/>\nvormgebrek maar uit de beslissing van de Za\u00efrese Staat om een andere vennootschap aan<br \/>\nte wijzen voor de exploitatie van die rechten.<br \/>\nUit het voorgaande volgt dat de [verweerders], bij het aanvaarden van de aanwijzing,<br \/>\ndoor de Za\u00efrese Staat, geen enkele fout kan worden verweten die in een oorzakelijk verband<br \/>\nzou staan met de door [de eiseres] aangevoerde schade.<br \/>\nDe schade en het oorzakelijk verband<br \/>\n[De eiseres] kan derhalve alleen vergoeding vorderen voor de schade die zij werkelijk<br \/>\naantoont en die in een oorzakelijk verband zou staan met de fout die de [verweerders]<br \/>\nzouden hebben begaan toen zij hun toestemming gaven voor de vlucht van 4 juli 1995.<br \/>\nZoals hierboven reeds is gezegd, is de ontzegging van het recht tot exploitatie van het<br \/>\nBelgisch-Za\u00efrese luchtverkeer slechts het gevolg van de beslissing van de Za\u00efrese Staat<br \/>\nom een andere maatschappij aan te wijzen voor de exploitatie van die rechten.<br \/>\nEr bestaat dus geen enkel oorzakelijk verband tussen die schade en de fout.<br \/>\nHetzelfde geldt voor de onmogelijkheid om de slots en de handelszaak over te dragen.<br \/>\nDat verlies is zelf ook het gevolg van de aanwijzing van een andere maatschappij voor de<br \/>\nuitoefening van de rechten tot exploitatie van het Belgisch-Za\u00efrese luchtverkeer\u201d.<br \/>\nGrieven<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nTweede onderdeel<br \/>\n1. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat de bekendmaking van de verdragen, wetten<br \/>\nen verordeningen oplegt, moet elk internationaal verdrag worden bekendgemaakt. Dat<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/6<br \/>\nalgemeen rechtsbeginsel kan worden afgeleid uit de artikelen 167, \u00a7 2, en 190 van de geco\u00f6rdineerde<br \/>\nGrondwet van 17 februari 1994, uit de artikelen 68 en 129 van de Grondwet<br \/>\nvan 7 februari 1831, uit de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in<br \/>\nwetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen,<br \/>\nuit de artikelen 22, 54 tot 56 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot<br \/>\nhervorming der instellingen, uit de artikelen 46 tot 48 en 53 van de wet van 31 december<br \/>\n1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en uit de artikelen<br \/>\n8, 32 tot 33, 39, 45 tot 46, 52, 69, 70bis en 73 van de bijzondere wet van 12 januari 1989<br \/>\nmet betrekking tot de Brusselse instellingen.<br \/>\nHet akkoord van 10 september 1965 moest bijgevolg worden bekendgemaakt.<br \/>\n2. Subsidiair bepaalt artikel 190 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet van 17 februari 1994<br \/>\ndat geen wet, geen besluit of verordening verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in<br \/>\nde vorm bij de wet bepaald.<br \/>\nWanneer het voormelde artikel 190 wordt uitgelegd in het licht van artikel 167 van de geco\u00f6rdineerde<br \/>\nGrondwet van 17 februari 1994, legt het voortaan de bekendmaking van alle<br \/>\nverdragen op.<br \/>\nZonder specifieke overgangsbepaling is artikel 190 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet<br \/>\nonmiddellijk van toepassing op de toekomstige gevolgen van toestanden die zijn ontstaan<br \/>\nv\u00f3\u00f3r de inwerkingtreding ervan op 27 februari 1994.<br \/>\nArtikel 190 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet legde bijgevolg de bekendmaking van het<br \/>\nakkoord van 10 september 1965 op, aangezien het erom ging de gevolgen ervan met ingang<br \/>\nvan 27 februari 1994 te beoordelen.<br \/>\n3. Nog meer subsidiair bepaalde artikel 68, tweede lid, van de Grondwet van 7 februari<br \/>\n1831, v\u00f3\u00f3r de wijziging ervan door de herziening van 5 mei 1993, dat de handelsverdragen<br \/>\nen de verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden<br \/>\nkunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben verkregen.<br \/>\nArtikel 129 van de Grondwet van 7 februari 1831 bepaalde dat geen wet, geen besluit of<br \/>\nverordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend is dan na te<br \/>\nzijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald.<br \/>\nUit de samenhang tussen die bepalingen volgt dat elk verdrag dat door de kamers is<br \/>\ngoedgekeurd, moet worden bekendgemaakt. Aangezien het akkoord van 10 september<br \/>\n1965 reeds vooraf was goedgekeurd door de wet van 14 april 1965 betreffende de internationale<br \/>\nakkoorden die voorzien in een vreedzame beslechting van internationale geschillen,<br \/>\nmoest het dus worden bekendgemaakt.<br \/>\n4. Nog meer subsidiair legde het voormelde artikel 129 de bekendmaking op van de verdragen<br \/>\ndie door het voormelde artikel 68, tweede lid, ter goedkeuring aan de kamers waren<br \/>\nvoorgelegd.<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/7<br \/>\nOnder een verdrag dat \u201cBelgen persoonlijk zouden kunnen binden\u201d in de zin van het<br \/>\nvoormelde artikel 68, tweede lid, moet elk verdrag worden verstaan dat aan de zijde van<br \/>\nde Belgen rechten en verplichtingen doet ontstaan, dat wil zeggen elk verdrag dat ten<br \/>\naanzien van de Belgen rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft. Wat dat betreft<br \/>\nworden de vreemdelingen met de Belgen gelijkgesteld krachtens de artikelen 128 van<br \/>\nde Grondwet van 7 februari 1831 en 191 van de geco\u00f6rdineerde Grondwet van 17 februari<br \/>\n1994.<br \/>\nHet akkoord van 10 september 1965 heeft wel degelijk rechtstreekse werking in de interne<br \/>\nrechtsorde, aangezien het in duidelijke en onvoorwaardelijke bewoordingen rechten toekent<br \/>\naan de betrokken luchtvaartmaatschappijen. Het kent hen met name de daarin opgesomde<br \/>\nbevoegdheden en voorrechten toe (artikel II), het kent hen het recht toe de vereiste<br \/>\nvergunning voor de exploitatie van de daarin vermelde luchtvaartdiensten te verkrijgen<br \/>\n(artikel III), het stelt hen vrij van verschillende rechten en belastingen (artikel V) en het<br \/>\nwaarborgt hen een eerlijke en billijke behandeling (artikel VI).<br \/>\nHet akkoord van 10 september 1965 moest dus wel degelijk worden bekendgemaakt.<br \/>\n5. Artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken,<br \/>\nhet opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, bepaalt<br \/>\ndat, wanneer er aanleiding is tot bekendmaking van een verdrag waarbij Belgi\u00eb<br \/>\npartij is, dat verdrag in een oorspronkelijke tekst in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt<br \/>\nmet de Nederlandse of de Franse vertaling.<br \/>\n6. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat de sanctie voor de nietbekendmaking<br \/>\nvan een verdrag in het Belgisch Staatsblad hierin bestaat dat het verdrag<br \/>\nniet aan de burgers kan worden tegengeworpen, dat wil zeggen aan de personen die geen<br \/>\ndeel van de openbare macht uitoefenen. De burgers kunnen zich echter beroepen op een<br \/>\nniet-bekendgemaakt verdrag om er rechten aan te ontlenen.<br \/>\nWanneer, bijgevolg, een verdrag door de kamers regelmatig is goedgekeurd en derhalve<br \/>\nbindende kracht heeft in de interne rechtsorde, kan de administratie het voordeel ervan<br \/>\nrechtsgeldig aan particulieren toekennen. Indien de administratie dat aldus heeft toegepast,<br \/>\nkan ze de belanghebbenden echter niet meer de rechten ontzeggen die ze hen heeft<br \/>\ntoegekend.<br \/>\n7. Het bestreden arrest stelt vast dat de vennootschap Air Za\u00efre, die in de huidige procedure<br \/>\nwordt vertegenwoordigd door de eiseres, door de Republiek Za\u00efre is aangewezen<br \/>\novereenkomstig artikel III van het Akkoord van 10 september 1965. De eiseres en de<br \/>\nmaatschappij die door de Belgische Staat was aangewezen op grond van dezelfde bepaling,<br \/>\ngenoten dus samen het exclusieve recht de vliegroute Brussel-Kinshasa te exploiteren.<br \/>\nHet bestreden arrest stelt ook vast dat de Za\u00efrese minister voor Transport dat exclusieve<br \/>\nrecht op 5 juli 1995 aan de eiseres heeft ontnomen, aangezien hij de vennootschap Scibe<br \/>\nAirlift in de plaats van de eiseres heeft aangewezen en dat de Belgische Staat die beslissing<br \/>\nop 11 juli 1995 heeft goedgekeurd.<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/8<br \/>\nHet bestreden arrest beslist echter dat die beslissing van de Belgische Staat niet als onrechtmatig<br \/>\nkan worden beschouwd, omdat laatstgenoemde enkel voldeed aan de hem<br \/>\ndoor het akkoord van 1965 opgelegde verplichting. Het beslist immers dat \u201cde Belgische<br \/>\nStaat niet degene is die haar de rechten heeft ontnomen en, door die aanwijzing te aanvaarden,<br \/>\ngewoon heeft voldaan aan de verplichtingen die hij krachtens het verdrag van<br \/>\n1965 moet eerbiedigen en die hij niet naast zich kan neerleggen. Een Staat die een internationaal<br \/>\nverdrag ondertekent, moet dat verdrag te goeder trouw uitvoeren en kan bijgevolg<br \/>\nniet worden verweten dat hij een fout heeft begaan wanneer hij die verplichtingen<br \/>\nnakomt\u201d.<br \/>\nHet bestreden arrest werpt tegen de eiseres zodoende een niet-bekendgemaakt verdrag op<br \/>\ndat bekendgemaakt had moeten worden (schending van alle, in de punten 1 tot 6 bedoelde<br \/>\nbepalingen).<br \/>\n8. Het bestreden arrest beslist daarenboven dat, gesteld dat de beslissing van de Belgische<br \/>\nStaat om de aanwijzing van Scibe Airlift in de plaats van de eiseres te aanvaarden<br \/>\nregelmatig gemotiveerd zou zijn naar de vorm, die beslissing wat de grond betreft niettemin<br \/>\ndezelfde zou zijn geweest, aangezien \u201cde schade die de curatele aanvoert, namelijk<br \/>\nde ontzegging van het recht tot exploitatie van het Belgisch-Za\u00efrese luchtverkeer, niet<br \/>\nvoortvloeit uit dat vormgebrek maar uit de beslissing van de Za\u00efrese Staat om een andere<br \/>\nvennootschap aan te wijzen voor de exploitatie van die rechten\u201d en \u201chetzelfde geldt voor<br \/>\nde onmogelijkheid om de slots en de handelszaak over te dragen; dat verlies is zelf ook<br \/>\nhet gevolg van de aanwijzing van een andere maatschappij voor de uitoefening van de<br \/>\nrechten tot exploitatie van het Belgisch-Za\u00efrese luchtverkeer\u201d.<br \/>\nBij de beoordeling van de toestand die zonder de fout zou zijn ontstaan en, derhalve, van<br \/>\nhet bestaan van een oorzakelijk verband tussen die fout en de aangevoerde schade, overweegt<br \/>\nhet bestreden arrest dat de Belgische Staat de aanwijzing van Scibe Airlift noodzakelijkerwijs<br \/>\nzou hebben moeten goedkeuren overeenkomstig de haar bij het akkoord van<br \/>\n10 september 1965 opgelegde verplichtingen.<br \/>\nHet bestreden arrest werpt de eiseres zodoende alweer onwettig een niet-bekendgemaakt<br \/>\nverdrag tegen dat bekendgemaakt had moeten worden (schending van alle, in de punten 1<br \/>\ntot 6 bedoelde bepalingen).<br \/>\nHet arrest beoordeelt daarenboven het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de<br \/>\naan de verweerders verweten fout en de door de eiseres aangevoerde schade door de<br \/>\nconcrete toestand die bij hem aanhangig is gemaakt, te vergelijken met een andere, onwettige<br \/>\ntoestand, te weten het geval waarin een niet-gepubliceerd verdrag, dat gepubliceerd<br \/>\nhad moeten worden, aan de eiseres wordt tegengeworpen, en miskent zodoende het<br \/>\nwettelijk begrip oorzakelijk verband. Hoewel de rechter, bij de beoordeling van het oorzakelijk<br \/>\nverband, geen rekening hoeft te houden met de fout zelf, moet die alternatieve<br \/>\ntoestand immers geoorloofd zijn (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk<br \/>\nWetboek).<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/9<br \/>\nIII. BESLISSING VAN HET HOF<br \/>\nBeoordeling<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nTweede middel<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nTweede onderdeel<br \/>\nUit het bestreden arrest blijkt dat \u201cl\u2019entreprise publique \u00e0 caract\u00e8re commercial<br \/>\nAir Za\u00efre\u201d, krachtens artikel III van het Akkoord van 10 september 1965 tussen<br \/>\nde Democratische Republiek Congo en het Koninkrijk Belgi\u00eb betreffende het<br \/>\nluchtverkeer, door de Republiek Za\u00efre is aangewezen als exploitatie-instrument<br \/>\nvan de verkeersrechten die uit dat akkoord voortvloeien; dat de Za\u00efrese minister<br \/>\nvoor Transport, ten gevolge van de faillietverklaring van dat overheidsbedrijf, op<br \/>\n5 juli 1995 tijdelijk de vennootschap Scibe Airlift heeft aangewezen met het oog<br \/>\nop de exploitatie van die verkeersrechten; dat die aanwijzing is goedgekeurd door<br \/>\nde Belgische minister voor Transport en dat de eiseres de verweerder verwijt dat<br \/>\nhij een fout heeft begaan door die aanwijzing goed te keuren \u201cen aldus de bepalingen<br \/>\nvan het Belgisch-Congolees akkoord van 10 september 1965 heeft geschonden\u201d.<br \/>\nHet bestreden arrest beslist dat de beslissing van de Za\u00efrese Staat om Air Za\u00efre te<br \/>\nvervangen door de vennootschap Scibe Airlift \u201cdoor de Belgische Staat moest<br \/>\nworden ge\u00eberbiedigd, aangezien hij de aangewezen vennootschap de exploitatievergunning<br \/>\nenkel had kunnen weigeren indien ze niet voldeed aan de voorwaarden<br \/>\nvan artikel III, 3 en 4, van het [akkoord] van 1965\u201d, terwijl \u201cnoch aangevoerd<br \/>\nnoch aangetoond wordt dat de vennootschap Scibe Airlift die voorwaarden<br \/>\nniet zou hebben vervuld\u201d.<br \/>\nHet bestreden arrest, dat oordeelt dat \u201cde Belgische Staat niet degene is die haar<br \/>\nde rechten heeft ontnomen en, door [de] aanwijzing [van Scibe Airlift] te aanvaarden,<br \/>\ngewoon heeft voldaan aan de verplichtingen die hij krachtens het [ak-<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/10<br \/>\nkoord] van 1965 moet eerbiedigen en die hij niet naast zich kan neerleggen; dat<br \/>\neen Staat die een internationaal verdrag ondertekent, dat verdrag te goeder trouw<br \/>\nmoet uitvoeren en bijgevolg niet kan worden verweten dat hij een fout heeft begaan<br \/>\nwanneer hij die verplichtingen nakomt\u201d, en daaruit afleidt dat de eiseres<br \/>\n\u201ctevergeefs aanvoert dat de Belgische Staat haar de rechten die zij meent te hebben<br \/>\nverkregen, zou hebben ontnomen en dat hij dat niet kon doen op grond van<br \/>\neen niet-bekendgemaakt verdrag, dat haar derhalve niet kan worden tegengeworpen\u201d,<br \/>\nwerpt tegen de vordering die bij het hof van beroep aanhangig was gemaakt,<br \/>\nenkel de grenzen op die artikel III van het akkoord van 10 september 1965<br \/>\nstelt aan het recht dat de eiseres, tot staving van die vordering, aan die bepaling<br \/>\nzelf meende te kunnen ontlenen.<br \/>\nHet schendt bijgevolg geen van de in dat onderdeel bedoelde wettelijke bepalingen.<br \/>\nAangezien het bestreden arrest naar recht uitsluit dat de verweerder een fout heeft<br \/>\nbegaan door de beslissing van de Za\u00efrese Staat goed te keuren, zijn de overwegingen<br \/>\nvan het arrest betreffende het mogelijke oorzakelijk verband tussen die fout<br \/>\nen de aangevoerde schade overtollig.<br \/>\nHet onderdeel kan niet worden aangenomen.<br \/>\n(\u2026)<br \/>\nDictum<br \/>\nHet Hof<br \/>\nVerwerpt het cassatieberoep.<br \/>\nVeroordeelt de eiseres tot de kosten.<br \/>\nAldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter<br \/>\nChristian Storck, raadsheer Didier Batsel\u00e9, afdelingsvoorzitter Albert<br \/>\nFettweis, de raadsheren Martine Regout en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting<br \/>\nvan 4 april 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid<br \/>\nvan eerste advocaat-generaal Jean-Fran\u00e7ois Leclercq, met bijstand van<br \/>\ngriffier Patricia De Wadripont.<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<br \/>\n4 APRIL 2014 C.11.0521.F\/11<br \/>\nVertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en<br \/>\novergeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.<br \/>\nDe griffier, De raadsheer,<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 21\/04\/2023<\/p>\n","protected":false},"author":19,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[7],"tags":[93,12,92],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/812"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/19"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=812"}],"version-history":[{"count":2,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/812\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":819,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/812\/revisions\/819"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=812"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=812"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=812"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}