{"id":793,"date":"2022-10-17T12:00:00","date_gmt":"2022-10-17T12:00:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=793"},"modified":"2023-08-25T19:14:11","modified_gmt":"2023-08-25T19:14:11","slug":"x-v-kingdom-of-saudi-arabia","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=793","title":{"rendered":"X v Kingdom of Saudi Arabia"},"content":{"rendered":"\n<h6>Ghent First Instance Tribunal, X v Kingdom of Saudi Arabia, Nr. 18\/3932\/A, 17 October 2022<\/h6>\n\n\n\n<p>A Belgian businesswoman sought compensation from the Kingdom of Saudi Arabia, claiming in particular that an official press release, in which she had been presented as&nbsp; being unreliable, had caused her financial and moral damage. The Court held, however, that the passing on of information on the applicant by the Saudi Embassy in Belgium to the Saudi Ministry of Trade and Industry constituted an act \u2018jure imperii\u2019, benefiting from State immunity. By reference to Article 12 of the 2004 UN Convention on State Immunity and the preparatory works of the International Law Commission, the Court further held that the \u2018territorial tort\u2019 exception does not apply to reputational damage and was accordingly inapplicable. In turn, the publication of a press release on the applicant within Saudi Arabia did not fall within the jurisdiction of the Belgian courts.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2023\/03\/id_xyfwjlra.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n\n\n\n<p><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>F\u00b0<br \/>\nRepertoriumnummer<br \/>\n2022\/<br \/>\nKamer<br \/>\nG1<br \/>\nDatum van uitspraak<br \/>\n17 oktober 2022<br \/>\nRolnummer<br \/>\n18\/3932\/A<br \/>\n\uf06f<br \/>\nverzoekschrift\/dagvaarding na 31\/01\/2019<br \/>\n\uf06f<br \/>\naan te bieden voor registratie<br \/>\nUitgifte<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen<br \/>\nafdeling Gent<br \/>\nsectie burgerlijke rechtbank<br \/>\nVonnis<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen &#8211; sectie burgerlijke rechtbank \u2013 G1 \u2013 17\/10\/2022 &#8211; 18\/3932\/A p.2 F\u00b0<br \/>\nIn de zaak van:<br \/>\nXxx<br \/>\neisende partij,<br \/>\nhebbende als raadsman meesters VANREUSEL Rik en DE MAN Jeroen,<br \/>\nadvocaten met kantoor te 9000 Gent, Heernislaan 91;<br \/>\ntegen:<br \/>\nHET KONINKRIJK SAUDI-ARABI\u00cb, VERTEGENWOORDIGD DOOR ZIJN AMBASSADEUR,<br \/>\nmet standplaats in zijn ambassade te 1000 Brussel, Franklin Rooseveltlaan 45,<br \/>\nverwerende partij,<br \/>\nhebbende als raadsman meesters AKY\u00dcZ Telli Nur en LEFEBVRE Paul,<br \/>\nadvocaten met kantoor te 1050 Elsene, Louizalaan 480 B9,<br \/>\nVONNIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:<br \/>\nI. DE PROCEDURE<br \/>\n[\u2026].<br \/>\nII. VORDERINGEN<br \/>\nDe eiseres vordert in haar dagvaarding van 9 november 2018 dat \u201cde schade die voortvloeit uit de valse publicatie, hun blokkeren van al hun netwerken en het missen van huidige en toekomstige contracten wordt vergoed\u201d. Zij vraagt de toekenning van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro tot haar definitieve schade is begroot.<br \/>\nIn haar syntheseconclusie van 30 juni 2022, die op vraag van de rechtbank enkel de vraag naar de immuniteit van de verweerder betreft, vraagt zij \u201cVoor recht te zeggen dat verweerster in deze zaak niet beschikt over internationaalrechtelijke immuniteit.<br \/>\nUitspraak te doen over het verzoekschrift door eiseres neergelegd op 30.03.2021 door aanstelling van een gerechtelijk bemiddelaar, met toepassing van artikel 1734, \u00a74 Gerechtelijk Wetboek;<br \/>\nDe beslissing over de kosten aan te houden, minstens de vordering van verweerster tot veroordeling van eiseres tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding \u201cbegroot op 39.000 EUR\u201d te herleiden tot 105,00 euro.\u201d<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen &#8211; sectie burgerlijke rechtbank \u2013 G1 \u2013 17\/10\/2022 &#8211; 18\/3932\/A p.3 F\u00b0<br \/>\nDe verweerder vraagt: \u201c\u00b7 Stukken 5, 6, 21 alsook het attest van 20 mei 2022 toegevoegd in stuk 19 van de stukkenbundel van eiseres van 30 juni 2022 uit de debatten te weren;<br \/>\n\u00b7 De vordering van de eiseres onontvankelijk en ongegrond te verklaren;<br \/>\n\u00b7 De volkenrechtelijke immuniteit van het Koninkrijk Saoedi-Arabi\u00eb vast te stellen met als gevolg dat Uw Rechtbank geen rechtsmacht heeft om van deze zaak kennis te nemen;<br \/>\n\u00b7 Eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 39.000 EUR.\u201d<br \/>\nIII. BESPREKING<br \/>\n1.<br \/>\nOver de vraag tot wering van de stukken 5, 6, 21 en van het attest van 20 mei 2022 toegevoegd in stuk 19 van de stukkenbundel van eiseres:<br \/>\nOvereenkomstig artikel 740 Gerechtelijk Wetboek worden alle memories, nota&#8217;s of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, v\u00f3\u00f3r de sluiting van het debat zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.<br \/>\nVolgens de verweerder dienen de vermelde stukken geweerd te worden uit het debat aangezien ze niet zijn neergelegd voor 15 maart 2022, zoals door de rechtbank ter zitting van 14 februari 2022 gevraagd.<br \/>\nDe rechtbank stelt vast dat de partijen kennelijk onderling zijn overeengekomen om de ter zitting van 14 februari 2022 vastgestelde termijnen voor het neerleggen van syntheseconclusies te verlengen. De eiseres zou concluderen tegen 30 juni 2022 en de verweerder tegen 1 augustus 2022. (e-mail van 7 juni 2022 van de raadsman van de eiseres)<br \/>\nDe stukken waarvan de verweerder de wering vraagt zijn door de eiseres neergelegd nog vooraleer zij haar syntheseconclusie heeft neergelegd. Zij dienen dus niet uit het debat te worden geweerd. De verweerder heeft deze stukken sowieso kunnen inzien en desbetreffend kunnen reageren in haar syntheseconclusie.<br \/>\n2.<br \/>\nOver de immuniteit van de verweerder<br \/>\n2.1<br \/>\nDe vrijstelling van rechtsvervolging van Staten is een regel van internationaal gewoonterecht die de gerechten van een Staat verbiedt hun rechtsprekende bevoegdheid uit te oefenen over een andere Staat die daarin niet heeft toegestemd. Van deze regel wordt afgeweken wanneer de tegen de vreemde Staat ingestelde rechtsvordering betrekking heeft, niet op een handeling die hij heeft verricht in de uitoefening van zijn publiekrechtelijke macht, maar op een bestuurshandeling. Om te bepalen of de Staat een handeling heeft verricht in de uitoefening van zijn publiekrechtelijke macht, moet acht worden geslagen op de aard van die handeling en op de hoedanigheid waarin die Staat is opgetreden, rekening houdend met de context waarin de handeling werd verricht (Cass. 27 juni 2022, S.21.0003.F, concl. A. Henkes en Cass.<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen &#8211; sectie burgerlijke rechtbank \u2013 G1 \u2013 17\/10\/2022 &#8211; 18\/3932\/A p.4 F\u00b0<br \/>\n6 december 2019, C.18.0282.F, concl. P. De Koster, op https:\/\/juportal.be).<br \/>\nBij het beoordelen van de vraag of de vrijstelling van rechtsvervolging al dan niet van toepassing is, moet worden nagegaan of de door de Staat verrichte handeling al dan niet in de uitoefening van haar soevereiniteit is verricht. De soevereine handelingen, die handelingen iure imperii uitmaken, worden door de vrijstelling van rechtsvervolging beschermd. Dit geldt niet voor bestuurshandelingen (iure gestionis) (zie Cass. 6 december 2019, C.18.0282.F).<br \/>\n2.2<br \/>\nOvereenkomstig artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen van 2 december 2004 kan een Staat &#8220;tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken staten, (&#8230;) geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van de rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op financi\u00eble schadevergoeding wegens overlijden of persoonlijk letsel, of schade aan of verlies van materi\u00eble eigendommen, veroorzaakt door handelen of nalaten waarvan gesteld wordt dat dat toe te schrijven is aan de staat, indien het handelen of nalaten geheel of gedeeltelijk plaatsvond op het grondgebied van die andere staat en degene die heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen zich op dat grondgebied bevond op het tijdstip van dat handelen of nalaten.\u201d<br \/>\nVoor de toepassing van de in dit artikel 12 vermelde uitzondering gelden aldus de volgende drie cumulatieve voorwaarden:<br \/>\n(i) de schade bestaat uit een overlijden of persoonlijk letsel, of schade aan of verlies van materi\u00eble eigendommen;<br \/>\n(ii) de handeling moet minstens gedeeltelijk op het grondgebied van de forumstaat plaatsvinden en<br \/>\n(iii) de dader moet op het tijdstip van de betwiste handeling op het grondgebied van de forumstaat aanwezig zijn.<br \/>\nAangezien de immuniteit de regel is, dient de uitzondering op die regel restrictief te worden ge\u00efnterpreteerd.<br \/>\nDe Commissie voor Internationaal Recht (LLC) legt vermeld artikel 12 uit als volgt: \u201cArticle 12 does not cover cases where there is no physical damage. Damage to reputation or defamation is not personal injury in the physical sense.\u201d (vrije vertaling: artikel 12 heeft geen betrekking op gevallen waarin er geen fysieke schade is. Reputatieschade of laster is geen persoonlijk letsel in de fysieke zin) (\u201cDraft articles on Jurisdictional Immunities of States and their Property Commentary\u201d, Yearbook of the International Law Commission, 1991, Vol. II Part Two, p. 45, randnrs. 5 en 9 (stuk 16 verweerder)). Zij stelt dat het voornamelijk gaat om volgende soort schade: \u201cThe areas of damage envisaged in article 12 are mainly concerned with accidental death or physical injuries to persons or damage to tangible property involved in traffic accidents, such as moving vehicles, motorcycles, locomotives or speedboats. In other words, the article covers most areas of accidents involved in the transport of goods and passengers by rail, road, air or waterways.\u201d (vrije vertaling: Artikel 12 heeft betrekking op toevallige dood, fysieke schade aan personen of schade aan lichamelijke zaken die betrokken zijn in verkeersongevallen, zoals rijdende voertuigen, motorrijwielen, locomotieven of speedboten.<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen &#8211; sectie burgerlijke rechtbank \u2013 G1 \u2013 17\/10\/2022 &#8211; 18\/3932\/A p.5 F\u00b0<br \/>\nM.a.w. de bepaling bestrijkt de meeste soort ongevallen die betrokken zijn bij het vervoer van goederen en personen per spoor, over de weg, in de lucht of over het water.) (Ibid., p. 45, randnr. 4).<br \/>\n2.3<br \/>\nDe betwiste handelingen<br \/>\n2.3.1<br \/>\nHet geschil ter zake betreft twee \u2013 voor de rechtbank afzonderlijke &#8211; handelingen. De eerste handeling betreft het doorspelen van informatie over de eiseres door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de verweerder via haar ambassade in Belgi\u00eb aan haar Ministerie van Handel en Industrie (stuk 4 verweerder). De publicatie van een vermeend officieel persbericht waarin de eiseres wordt omschreven als een onbetrouwbare Belgische zakenvrouw is de tweede handeling.<br \/>\n2.3.2<br \/>\nOver de eerste handeling<br \/>\nVolgens de rechtbank betreft de eerste handeling om de Saoedische overheidsdiensten \u2013 al dan niet ten onrechte &#8211; te verwittigen over het feit dat het in het belang is van de Saoedische zakenlui om niet (langer) met de eiseres samen te werken, een uitoefening door de Saoedische ambassade in Belgi\u00eb van haar diplomatieke rapporteringsplicht en bijgevolg een daad iure imperii.<br \/>\nDe volgende vraag die rijst, is indien de eiseres zich ter zake kan beroepen op de uitzondering van vermeld artikel 12. Zij stelt enerzijds financi\u00eble (patrimoniale) schade te hebben geleden gelet op het uitblijven van (toekomstige) contracten in Saoedi-Arabi\u00eb en anderzijds te lijden onder morele schade, nl. een &#8220;chronische vorm van posttraumatische stress&#8221;<br \/>\nGelet op hetgeen geoordeeld onder randnummer 2.2, is de rechtbank van oordeel dat deze vermeende schade niet valt onder de schade zoals bepaald in vermeld artikel 12. De uitzondering van vermeld artikel 12 is ter zake dus niet van toepassing op de eerste handeling.<br \/>\n2.3.3<br \/>\nOver de tweede handeling<br \/>\nDe rechtbank heeft sowieso geen rechtsmacht om de tweede handeling te beoordelen aangezien die algeheel is gesteld in Saoedi-Arabi\u00eb en niet op het Belgisch grondgebied.<br \/>\n2.4<br \/>\nGelet op het voorgaande heeft de rechtbank ter zake geen rechtsmacht.<br \/>\n3.<br \/>\nOver de gerechtskosten<br \/>\nDe vraag rijst \u2013 gelet op het feit dat de rechtbank zich ter zake zonder rechtsmacht verklaart &#8211;<br \/>\nRechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen &#8211; sectie burgerlijke rechtbank \u2013 G1 \u2013 17\/10\/2022 &#8211; 18\/3932\/A p.6 F\u00b0<br \/>\nof een veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding kan worden uitgesproken.<br \/>\nHet begrip &#8220;rechtsmacht&#8221; heeft betrekking op de uitoefening van de rechterlijke macht in die zin dat het gaat om de afbakening van de opdracht van de rechterlijke macht van die van de andere machten en de Belgische hoven en rechtbanken. Het begrip &#8220;rechtsmacht&#8221; heeft betrekking op de uitoefening van de rechterlijke macht, zodat wanneer het voorwerp van de eis niet behoort tot het &#8220;imperium&#8221; van de rechterlijke macht, de rechter bij gebrek aan rechtsmacht de zaak uit handen moet geven.<br \/>\nWanneer de rechter zich zonder rechtsmacht verklaart, wordt de procesverhouding be\u00ebindigd en zal de partij die ten onrechte een beroep heeft gedaan op de Belgische overheidsrechter, een rechtsplegingsvergoeding moeten betalen aan zijn opponent (H. Boularbah en V. Pire, &#8220;Actualit\u00e9s en mati\u00e8re de r\u00e9p\u00e9tibilit\u00e9 des frais et honoraires d&#8217;avocat&#8221;, in X., Actualit\u00e9s en droit judiciaire, Luik, Anthemis, 2010, 182, nr. 45 in fine).<br \/>\nDe eiseres is de in het ongelijk gestelde partij. Zij dient te worden verwezen in de kosten.<br \/>\nDe hoofdvordering, zoals vervat in de dagvaarding, is in geld waardeerbaar. Zij bevindt zich in de schijf van 0 tot 250,01 euro. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt derhalve 210,00 euro.<br \/>\nEr is geen reden om dit bedrag te verminderen of te verhogen. De vordering van de eiseres is niet kennelijk onredelijk. Zij bewijst dat er negatieve informatie over haar is verspreid vanuit de Saoedische ambassade in Belgi\u00eb naar Saoedi-Arabi\u00eb toe. De vraag die ter zake is gerezen is een principi\u00eble juridische discussie nopens de al dan niet immuniteit van de verweerder.<br \/>\nIV. BESLISSING VAN DE RECHTBANK<br \/>\nRecht doend na het tussenvonnis van 7 juni 2021, verklaart de rechtbank zich, op tegenspraak, zonder rechtsmacht.<br \/>\nDe eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, niet begroot aan haar zijde omdat zij die zelf moet dragen en begroot aan de zijde van de verweerder op 210,00 euro rechtsplegingsvergoeding.<br \/>\nAldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op maandag 17 oktober 2022, waar aanwezig waren:<\/p>\n","protected":false},"author":3,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[37],"tags":[53,18,20,85,84],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/793"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/3"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=793"}],"version-history":[{"count":3,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/793\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":886,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/793\/revisions\/886"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=793"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=793"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=793"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}