{"id":786,"date":"2018-12-19T12:19:00","date_gmt":"2018-12-19T12:19:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=786"},"modified":"2023-02-19T17:24:37","modified_gmt":"2023-02-19T17:24:37","slug":"g-v-kingdom-of-belgium-2","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=786","title":{"rendered":"G v. Kingdom of Belgium"},"content":{"rendered":"\n<h6>Brussels First Instance Tribunal, G. v. Kingdom of Belgium, 19 December 2018<\/h6>\n\n\n\n<p>This case concerns a mother suing the Belgian state to enable the children she had with an Islamic State fighter during her stay in Syria, to travel to Belgium. The mother, who is detained in Turkey, used to have the Belgian nationality but currently only holds the Algerian nationality. The children were born in Syria but are living in Turkey and are de facto stateless.<br><br>According to the Court, the children had a sufficient connection with neither Syria, Turkey, nor Algeria. By contrast, there was a factual connection with Belgium. Furthermore, while it could be argued that, pursuant to the Convention of 1954 Concerning the Status of Stateless Persons, the claim to obtain travel documents should be directed to the Turkish government, this could not be expected to happen in practice.<br><br>Furthermore the Court ruled that, even if there was no specific legal ground obliging the Belgian State to provide the requested travel documents, the State nonetheless had an enforceable legal obligation to act, in light a range of commitments made, such as the general principle of aid and assistance to one\u2019s own nationals, articles 50 and 75 of the Belgian Consular Code, the Convention of 1954 Relating the Status of Stateless Persons, the Convention on the Right of the Child, and article 8 of the ECHR. The Court accordingly ruled the claim to be well-founded and granted the requested provisional measures.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2023\/02\/id_kcydyjob.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Repertoriumnummer<br \/>\nDatum van uitspraak<br \/>\n19 december 2018<br \/>\nRolnummer<br \/>\nXXX<br \/>\n\uf06f<br \/>\nNiet aan te bieden aan de ontvanger<br \/>\nBKG &#8211; EB<br \/>\nNEDERLANDSTALIGE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL<br \/>\nBeschikking<br \/>\n10e kamer &#8211; kortgeding<br \/>\nVoorlopige maatregelen<br \/>\nArt 584 Ger.W.<br \/>\nSTUKKEN<br \/>\n1 dagvaarding<br \/>\n3 conclusies<br \/>\nVeroordeling bijdrage ge\u00efnd<br \/>\n20 EUR<br \/>\nAangeboden op<br \/>\nNiet te registreren<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 2<br \/>\nIN DE ZAAK VAN<br \/>\n1. Mevrouw XXX, van Belgische nationaliteit, geboren te XXX (Algerije) op XXX, met laatste gekende woonplaats in het Rijk te XXX, doch thans verblijvende in het penitentiair complex te XXX Turkije), handelend, zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van ouder en beheerder over de persoon en de goederen van haar minderjarige kinderen XXX, geboren te XXX op XXX en XXX, geboren te XXX op XXX, beiden thans verblijvende te XXX Turkije).<br \/>\n2. Juffrouw XXX, geboren te XXX op XXX, thans verblijvende te XXX Turkije), voor wie mevrouw XXX wenst op te treden als vermeende moeder,<br \/>\n3. Juffrouw XXX, geboren te XXX op XXX, thans verblijvende te XXX Turkije), voor wie mevrouw XXX wenst op te treden als vermeende moeder,<br \/>\nEisende partijen,<br \/>\nAllen vertegenwoordigd door mr. XXX, advocaat, kantoorhoudende te XXX<br \/>\nTegen:<br \/>\nDe Belgische Staat, vertegenwoordigd door:<br \/>\n&#8211; de Minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, voor wie optreedt: mr.XXX, advocaat met kantoor te XXX,<br \/>\n&#8211; de Staatssecretaris voor asiel en administratieve vereenvoudiging, met kantoren te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59 b, voor wie optreedt: mr.XXX, advocaat met kantoor te XXX,<br \/>\n&#8211; de Minister van Buitenlandse Zaken, met kantoren te 1000 Brussel, Karmelietenstraat 15, voor wie optreedt: mr.XXX, advocaat met kantoor te XXX.<br \/>\nVerwerende partij<br \/>\n* * *<br \/>\nI. PROCEDURE<br \/>\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, inzonderheid:<br \/>\n\uf02d De inleidende dagvaarding, op verzoek van eisende partijen op 25 oktober 2018 betekend aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie,<br \/>\n\uf02d Het \u201cverzoek tot vrijwillige tussenkomst houdende conclusies\u201d, voor de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Staatsecretaris voor asiel en migratie en administratieve<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 3<br \/>\nvereenvoudiging en door de Minister van Buitenlandse Zaken, neergelegd ter griffie op 15 november 2018,<br \/>\n\uf02d De \u201cantwoordbesluiten\u201d, voor eisende partijen neergelegd ter griffie op 30 november 2018,<br \/>\n\uf02d De \u201csyntheseconclusie\u201d, voor de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 3 december 2018,<br \/>\n\uf02d Het stukkenbundel (20 stukken), voor eisende partijen neergelegd ter griffie op 30 november 2018,<br \/>\n\uf02d Het navolgend stuk, voor eisende partijen neergelegd ter griffie op 10 december 2018,<br \/>\n\uf02d Het stukkenbundel (4 stukken), voor de Belgische Staat neergelegd ter zitting van 12 december 2018.<br \/>\nOp de openbare zitting van 12 december 2018:<br \/>\n&#8211; heeft mr. XXX gepleit voor eisende partijen,<br \/>\n&#8211; hebben mr.XXX, XXX en XXX gepleit voor de Belgische Staat en een stukkenbundel neergelegd,<br \/>\n&#8211; werden de debatten gesloten,<br \/>\n&#8211; werd de zaak in beraad genomen.<br \/>\nDe procedure verliep met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.<br \/>\nII. FEITEN<br \/>\n1.<br \/>\nMevrouw XXX werd geboren op XXX te XXX en heeft sindsdien de Algerijnse nationaliteit (stuk 1 van de Belgische Staat en stuk 3 van eisende partijen). Ze heeft op 11 februari 2005 ook de Belgische nationaliteit verkregen (stuk 1 van de Belgische Staat).<br \/>\nVolgens haar conclusies, vertrok ze in oktober 2013 naar Syri\u00eb. Ze werd van ambtswege uit de Belgische bevolkingsregisters afgevoerd op 12 december 2013 (stuk 1 van de Belgische Staat).<br \/>\nIn Syri\u00eb had ze naar eigen zeggen een relatie (een \u2018religieus huwelijk\u2019) met de heer XXX, houder van de XXX nationaliteit. Uit de relatie zouden twee kinderen geboren zijn: XXX op XXX en XXX op XXX. Beide kinderen werden geboren te Syri\u00eb, XXX. Nu de geboortes in oorlogsgebied plaatsvonden, werden ze niet geregistreerd en zijn er geen geboorteaktes.<br \/>\n2.<br \/>\nVolgens het relaas van mevrouw XXX, overleed de heer XXX in maart 2016. Zijzelf vluchtte eind 2017 met de twee kinderen naar Turkije. Op 7 januari 2018 werd ze in Turkije opgepakt en opgesloten. Op 3 april 2018 werd ze veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar (stuk 1 van eisende partijen). Tegen die beslissing werd hoger beroep ingesteld, een beslissing daarover is er nog niet, minstens niet gekend.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 4<br \/>\nSinds 7 januari 2018 verblijft mevrouw XXX onafgebroken in de gevangenis. Aangezien de kinderen geen geboorteakte hebben, werden ze niet toegelaten mevrouw XXX te vergezellen. Zij werden in Turkije opgevangen door de moeder van mevrouw XXX, mevrouw XXX, met de XXX nationaliteit en woonplaats te XXX.<br \/>\nNog v\u00f3\u00f3r haar opsluiting in de gevangenis te Turkije, had mevrouw XXX aan de Belgische ambassade in Turkije om reisdocumenten verzocht om door te reizen naar Belgi\u00eb. Er werd evenwel ge\u00ebist dat zij de afstamming van de kinderen bewees, wat niet lukte vooraleer zij werd opgepakt.<br \/>\n3.<br \/>\nOp 14 maart 2018 werd in Turkije een bloedstaal afgenomen van beide kinderen. Het was niet mogelijk een bloedstaal van mevrouw XXX af te nemen omdat de toegang tot de gevangenis geweigerd werd, de gewenste onderzoeksdaad vereiste volgens de Turkse autoriteiten het naleven van een andere procedure (stuk 2 van eisende partijen).<br \/>\nDe bloedstalen van de kinderen werden via diplomatieke weg naar Belgi\u00eb overgebracht en vergeleken met bloedstalen van de ouders van mevrouw XXX, de heer XXX en mevrouw XXX, beide van XXX nationaliteit en met woonplaats te XXX.<br \/>\nIn een verslag van 20 juni 2018 van het ULB Erasmus Ziekenhuis, wordt aangegeven dat zij met een zekerheid van 99,99% de grootouders zijn van de kinderen (stuk 4 van eisende partijen).<br \/>\n4.<br \/>\nOp basis van die resultaten werd aan de Belgische ambassade in Turkije opnieuw om reisdocumenten gevraagd, zonder resultaat.<br \/>\nHet verblijf van mevrouw XXX in Turkije werd volgens eisende partijen inmiddels onmogelijk gemaakt doordat de Turkse autoriteiten op 6 september 2018 een inreisverbod hebben uitgevaardigd met een duurtijd van zestig maanden omdat zij voordien langer in Turkije verbleef dan door haar visum toegelaten (hun stuk 5). Zij menen dat een regularisatie van die toestand geweigerd wordt door het Turkse consulaat te Antwerpen. Er zijn geen stukken waaruit dat met zekerheid kan worden afgeleid.<br \/>\nVolgens de Belgische Staat zouden de kinderen in Turkije kunnen opgevangen worden door de familie van de nieuwe partner van mevrouw XXX, wat wordt betwist door eisende partijen. Zij wijzen erop dat mevrouw XXX zelf een appartement in Turkije huurde en inrichtte om er de kinderen op te vangen en verzorgen. Inmiddels kan mevrouw XXX dat evenwel niet meer zelf doen en werd de taak overgenomen door de zus van mevrouw XXX, XXX, die XX jaar oud zou zijn.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 5<br \/>\n5.<br \/>\nOm de moederlijke afstamming te laten vaststellen, werd inmiddels in Belgi\u00eb een gerechtelijke procedure voorbereid door een voogd ad hoc te laten aanstellen voor de kinderen. Dat gebeurde bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg van 13 november 2018. De procedure zelf werd nog niet gestart.<br \/>\nEen procedure in Turkije om de moederlijke afstamming te laten vaststellen, werd ongegrond verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kayseri. Volgens de raadsman van eisende partijen omdat de Turkse rechtbank zich niet internationaal bevoegd achtte. Dat kan niet afgeleid worden uit de stukken.<br \/>\nHet is niet bekend of in Turkije andere stappen werden gezet om de situatie van de kinderen te regulariseren of verbeteren \u2013 zoals een aanvraag om erkend te worden als staatloze \u2013 noch wat de duur en slaagkansen van procedures in Turkije zouden zijn.<br \/>\nIII. VORDERINGEN<br \/>\n1.<br \/>\nEisende partijen vorderen de Belgische Staat te veroordelen om onmiddellijk het overbrengen van de kinderen XXX, geboren te XXX (Syri\u00eb) op XXX, en XXX geboren te XXX (Syri\u00eb) op XXX, naar Belgi\u00eb te faciliteren door hen reisdocumenten\/laissez-passer af te leveren, dan wel hen vanuit Turkije \u201cte repatri\u00ebren\u201d, op straffe van een dwangsom van \u20ac 5.000,00 EUR per dag vertraging, vanaf een maand na betekening van de beschikking.<br \/>\nIn ondergeschikte orde vragen ze de zaak in voorzetting te plaatsen voor neerlegging van de resultaten van het DNA-onderzoek inzake de vaderlijke afstamming van de kinderen.<br \/>\nTen slotte vragen ze de Belgische Staat te veroordelen tot de gerechtskosten waaronder een \u201cminimumrechtsplegingsvergoeding\u201d, begroot op \u20ac 1.440,00 en de beschikking bij voorraad uitvoerbaar te horen verklaren en op de minuut, niet tegenstaande elk verhaal, zonder borgtocht noch kantonnement.<br \/>\n2.<br \/>\nDe Belgische Staat vraagt de vordering van eisende partijen af te wijzen als ongegrond en hen te veroordelen tot de gerechtskosten, begroot op een rechtsplegingvergoeding van \u20ac 1.440,00.<br \/>\nIII. BEOORDELING<br \/>\nA. Voorafgaand<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 6<br \/>\n1.<br \/>\nDe Belgische Staat trekt niet in twijfel dat mevrouw XXX een vordering kan instellen in naam en voor rekening van de kinderen XXX en XXX en erkent aldus impliciet dat zij (minstens feitelijk) de moeder is van beide kinderen.<br \/>\nBeide kinderen worden daarnaast ook rechtstreeks door de advocaat van mevrouw XXX vertegenwoordigd en kunnen in ieder geval beschouwd worden als autonome procespartijen.<br \/>\n2.<br \/>\nHet voorwerp van de procedure betreft voorlopige maatregelen aangaande de situatie van minderjarige kinderen. Centraal in de beoordeling moet dan ook het belang van die kinderen staan.<br \/>\nB. Spoedeisendheid<br \/>\n1.<br \/>\nDe Belgische Staat betwist dat de vordering spoedeisend zou zijn aangezien er opvangmogelijkheden voor de kinderen in Turkije zijn, er geen slechte leefomstandigheden in Turkije worden bewezen en eisende partijen al lang de gelegenheid hadden om de moederlijke afstamming te laten vaststellen en zo een regelmatig administratief statuut te verwerven.<br \/>\n2.<br \/>\nDat laatste argument \u2013 dat erop neerkomt dat mevrouw XXX en haar raadsman niet de juiste, of te traag, procedurele stappen hebben gezet om de situatie van de kinderen te verbeteren en dus dat de eisende partijen zelf de hoogdringendheid hebben gecre\u00eberd \u2013 kan geen rol spelen. Er moet immers geoordeeld worden over het lot van minderjarige kinderen die volledig in de onmogelijkheid zijn om zelf de door de Belgische autoriteiten gewenste procedurele of administratieve stappen te zetten. Eventuele gebreken op dat vlak kunnen hen niet toegerekend worden en kunnen er niet toe leiden dat een bepaalde situatie haar spoedeisend karakter zou verliezen.<br \/>\nEr anders over oordelen zou het perverse effect hebben dat geen maatregelen ten gunste van de kinderen kunnen worden genomen omdat degene die de maatregelen hadden kunnen of moeten nemen, dat nagelaten hebben. Dat zou ingaan tegen de plicht tot bescherming van de minderjarige \u2013 zoals in de Belgische rechtsorde bijvoorbeeld vastgelegd in het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en de regelgeving inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming. Het vereiste van de spoedeisendheid moet in overeenstemming met die principes worden beoordeeld.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 7<br \/>\n3.<br \/>\nEisende partijen tonen aan \u2013 en de Belgische Staat weerlegt dat niet \u2013 dat:<br \/>\n&#8211; de kinderen van 2 en 4 jaar momenteel zonder enig administratief statuut en zonder identiteitsbewijzen in Turkije verblijven,<br \/>\n&#8211; zij geen ouders hebben die voor hen kunnen zorgen, nu de vader overleden is en de moeder in de gevangenis is opgesloten zonder dat de kinderen bij haar mogen verblijven,<br \/>\n&#8211; de kinderen geen band hebben met Turkije en geen van hun verwanten de intentie heeft om zich in Turkije te vestigen, met Turkije een band heeft of het recht heeft om langdurig in Turkije te verblijven,<br \/>\n&#8211; zij eerst werden opgevangen door mevrouw XXX (vermeende grootmoeder) en vervolgens door XXX (vermeende tante), die geen banden hebben met Turkije, het Turks niet machtig zijn en er niet langer met een geldige verblijfstitel kunnen verblijven.<br \/>\nDat betekent dat de kinderen momenteel in Turkije in een administratief vacu\u00fcm leven, waarbij niet alleen hun eigen verblijf onder een permanente dreiging staat wegens onofficieel, maar tevens dat van de personen die zorg voor hen willen en kunnen dragen. De volwassen personen die hen verzorgen en waaraan ze gehecht zijn, kunnen aldus op ieder moment wegvallen terwijl zijzelf dan overgeleverd zijn aan onzekerheid en een interventie vanwege vreemden of een overheidsinstantie die hen niet dezelfde familiale band en zorgen kunnen bieden. Tevens brengt die toestand mee dat zij niet \u2013 minstens veel moeilijker \u2013 toegang krijgen tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs. Hoewel de kinderen naar Belgisch recht nog niet onderwijsplichtig zijn, zijn ze wel al op de leeftijd om kleuteronderwijs te volgens, wat \u2013 volgens de overheersende mening \u2013 veel beter is voor hun ontwikkeling.<br \/>\nDe huidige situatie is aldus dat de kinderen in permanente onzekerheid leven en opgevangen moeten worden door familieleden die \u2013 gelet op de tijdslimieten van de visa \u2013 elkaar moeten afwisselen, waardoor zij telkens in nieuwe situaties belanden, met nieuwe volwassenen waarmee zij moeten leren omgaan. Tevens kunnen de behoeften aan basiszorgen en onderwijs niet geoptimaliseerd worden.<br \/>\nDie omstandigheden zijn op zich schadelijk voor de kinderen, minstens ver verwijderd van de gunstige gevolgen die de gevraagde maatregelen (overbrenging naar Belgi\u00eb, regularisering administratieve situatie en permanente opvang bij dichte familieleden) kunnen meebrengen. Bijgevolg kan er geen twijfel over bestaan dat de door eisende partijen verlangde maatregelen spoedeisend zijn. Daartoe moet niet vastgesteld worden dat er een levensbedreigende situatie voor handen is, noch dat de kinderen slachtoffer zouden zijn van de schending van enig mensenrecht. De discussie omtrent de reikwijdte van de mensenrechten en de afwezigheid van rechtsmacht om te oordelen over het mensenrechtenconform optreden van de Turkse overheden, speelt aldus geen rol. De beschreven actuele feitelijke levensomstandigheden van de kinderen zijn ruimschoots voldoende ongunstig om een dringend ingrijpen te verantwoorden.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 8<br \/>\n4.<br \/>\nDe volwassenen die de kinderen opvangen, van hun kant, zitten evenzeer allerminst in een gunstige situatie: zij moeten \u2013 met schending van het Turkse verblijfsrecht \u2013 langdurig in een land verblijven waarmee ze geen banden hebben en waarvan ze de taal niet spreken. Zij dragen daardoor hoge financi\u00eble lasten en risico\u2019s op bestraffing. Bovendien moeten zij hun familiaal, sociaal en eventueel scolair of professioneel leven in Belgi\u00eb langdurig achterlaten. Die omstandigheden zijn niet houdbaar en berokkenen hen eveneens schade. Ook vanuit het perspectief van de zorgverstrekkende volwassenen is er aldus een dringende nood aan verandering.<br \/>\n5.<br \/>\nDe door de Belgische Staat voorgehouden gunstige opvangmogelijkheden voor de kinderen in Turkije \u2013 die niet voldoende geconcretiseerd en allerminst bewezen wordt \u2013 vormen geen aanvaardbaar alternatief die de spoedeisendheid doet verdwijnen.<br \/>\nZoals gezegd, is de opvang door de Belgische familieleden in Turkije precair en een zware belasting voor zowel kinderen als volwassenen. Dat opvang mogelijk is bij de familieleden van de beweerde nieuwe partner van mevrouw XXX, staat allerminst vast. In ieder geval is die niet afdwingbaar en onzeker, ook wat de kwaliteit ervan betreft. Ten slotte wordt niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten de kinderen een administratief statuut hebben verleend die rechten voor hen opent, noch dat ze goede alternatieven ter beschikking stellen die de belangen van de kinderen voldoende kunnen dienen.<br \/>\nC. Band met Belgi\u00eb<br \/>\n1.<br \/>\nDe Belgische Staat weigert op heden tussen te komen omdat de kinderen geen band zouden hebben met Belgi\u00eb.<br \/>\n2.<br \/>\nOp basis van de gekende gegevens is Belgi\u00eb nochtans het enige land waarmee de kinderen enige band van betekenis hebben.<br \/>\n3.<br \/>\nHun verblijf in Syri\u00eb was kortstondig en hun band ermee werd doorgesneden door de vlucht naar Turkije. Syri\u00eb kan in de huidige situatie ook niet de maatschappij genoemd worden waarmee zij een band hadden, nu zij er verbleven in een gebied onder controle van niet-erkende krijgsautoriteiten en aldus in feite geen deel uitmaakten (en dat ook niet wensten) van een internationaal erkend land of deelgebied. Tevens kan op basis van die omstandigheden, de oorlogssituatie, het ontbreken van een stabiele en alle landsdelen omvattende organisatie en<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 9<br \/>\nadministratie evenals de vijandigheid die bestaat ten opzichte van personen die binnen het door de groepering \u2013 algemeen gekend onder de naam \u2018Islamitische Staat\u2019 \u2013 gecontroleerde territorium verblijven, aangenomen worden dat zij door het loutere feit van hun geboorte op Syrisch grondgebied niet de Syrische nationaliteit verwierven en door Syri\u00eb niet als Syrische onderdanen beschouwd worden.<br \/>\n4.<br \/>\nOok met Turkije is er geen voldoende band, nu het louter een vluchtoord is, zonder dat een persoon die enig gezag kan uitoefenen over de kinderen of beslissingsrecht heeft over het verblijf van die kinderen de intentie heeft (geuit) om de kinderen langdurig in Turkije te vestigen om hen aldaar hun hoofdverblijf te geven en er hun leven te laten uitbouwen. Zij zijn aanwezig in Turkije, maar hebben er niet hun verblijfplaats.<br \/>\n5.<br \/>\nBijgevolg rest enkel Belgi\u00eb.<br \/>\nOp basis van stuk 4 van eisende partijen kan met voldoende zekerheid aangenomen worden dat mevrouw Xxx en de heer XXX \u2013 de ouders van mevrouw XXX \u2013 de grootouders zijn van de kinderen. Bijgevolg moet mevrouw XXX hun moeder zijn. Hoewel nog niet juridisch vastgelegd, kan op basis van de gekende gegevens over de biologische afstamming geen betwisting meer bestaan.<br \/>\nMevrouw XXX heeft de Belgische nationaliteit en heeft van 24 september 1998 tot 12 december 2013 in Belgi\u00eb gewoond. De kinderen \u2013 buiten Belgi\u00eb geboren in 2014 en 2016 \u2013 zouden op basis van artikel 8, \u00a71, 2\u00b0, b), van het Wetboek Belgische Nationaliteit gemakkelijk en zeer waarschijnlijk de Belgische nationaliteit kunnen verwerven. Indien ook de voorgehouden vaderlijke afstamming zou worden bewezen \u2013 wat momenteel in onderzoek is \u2013 zou dat trouwens automatisch gebeuren nu de voorgehouden vader een Belg is die in Belgi\u00eb geboren werd.<br \/>\nOp heden staat aldus vast dat de kinderen een Belgische moeder hebben en dat zij \u2018virtueel\u2019 Belg zijn \u2013 de enige reden waarom dat nog niet juridisch vast staat, is dat de nodige onderzoeksdaden nog lopen \u2013 wat uiteraard sterk bemoeilijkt wordt door de opsluiting van mevrouw XXX in Turkije, element dat evenwel niet in het nadeel van de kinderen mag spelen en dat niet wegneemt dat de uitkomst van het onderzoek op heden al voldoende aannemelijk is.<br \/>\nBovendien is de gewenste maatregel erop gericht de (bijna Belgische) kinderen te verenigen met hun familieleden in opgaande lijn \u2013 de grootouders \u2013 en de zijlijn \u2013 de zus van mevrouw XXX \u2013 die allen Belg zijn en al zeer lang in Belgi\u00eb wonen en de enige bloedverwanten van de kinderen zijn die hen zorgen kunnen bieden. Ten slotte is het op basis van wat gekend is, ook het meest waarschijnlijk dat mevrouw XXX, indien ze in vrijheid zou worden gesteld, zich in Belgi\u00eb zal<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 10<br \/>\nvestigen. Zij heeft dat recht op basis van haar Belgische nationaliteit (artikel 50 van het Consulair Wetboek) en heeft met Belgi\u00eb de sterkste feitelijke banden. In ieder geval is zij in de mogelijkheid haar kinderen in Belgi\u00eb te vervoegen. Een verplaatsing van de kinderen naar Belgi\u00eb vormt aldus geen obstakel voor een hereniging met hun moeder, in tegendeel.<br \/>\n6.<br \/>\nDat de kinderen in de interesse- en beschermingssfeer van de Belgische Staat komen en dat de belangen van de kinderen worden gediend door een overbrenging naar Belgi\u00eb, kan bijgevolg niet ontkend worden. Aangezien \u2013 voor zover bekend \u2013 er geen ander land of andere overheid voldoende banden heeft met de kinderen om een beschermingsrol op te nemen, noch de intentie heeft om een dergelijk band aan te gaan, is Belgi\u00eb bovendien de enige instantie die de gewenste bescherming kan bieden.<br \/>\nDat niet alle wettelijke voorwaarden daartoe \u2013 strikt formeel-juridisch gesproken \u2013 zouden vervuld zijn in deze zaak, mag daar geen afbreuk aan doen. De omstandigheden waarin de kinderen ter wereld zijn gekomen en waarin hun moeder verzeilde, vormen immers moeilijk te overwinnen obstakels en een noodtoestand die de naleving van die formele vereisten moeilijk tot onmogelijk maakte en maakt. Dat mag geen nadeel toebrengen aan de kinderen nu zij daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid dragen. Zij moeten precies van overheidswege tegen dergelijke omstandigheden beschermd worden indien de personen die normaal de zorg voor hen zouden moeten dragen (in deze zaak: de overleden vader en de opgesloten moeder), in gebreke zijn gebleven. De daartoe bevoegde overheid is onder meer, en in eerste instantie, de overheid waarmee de kinderen de nauwste band hebben en waar zij op basis van de gekende feitelijke gegevens naar alle waarschijnlijkheid hun familiaal leven kunnen ontplooien. Dat is, zoals gezegd, tweemaal Belgi\u00eb.<br \/>\n7.<br \/>\nDe bewering van de Belgische Staat dat de kinderen momenteel officieel en afdwingbaar de Algerijnse nationaliteit hebben aangezien mevrouw XXX die nationaliteit heeft, kan niet bijgetreden worden en is in strijd met de eigen opvatting van de Belgische Staat dat de afstamming ten aanzien van XXX nog niet vast staat.<br \/>\nWeliswaar bepaalt artikel 6 van het Wetboek van de Algerijnse nationaliteit (Ordonnance n\u00b0 70-86 du 15 d\u00e9cembre 1970 portant code de la nationalit\u00e9 alg\u00e9rienne, onder meer te vinden op de website https:\/\/www.joradp.dz\/TRV\/FNat.pdf) dat een kind geboren uit een Algerijnse moeder, de Algerijnse nationaliteit verwerft, maar dat vereist uiteraard eerst dat de kind-moeder relatie \u2013 dus de afstamming \u2013 vast staat en bewezen wordt. Dat kan onder meer afgeleid worden uit de bewijsregeling, vastgelegd in de artikel 31 en 32 van het Wetboek van de Algerijnse nationaliteit. De moederlijke afstamming is bijgevolg, evenzeer als in het kader van de regeling van de Belgische nationaliteit, een voorwaarde om de Algerijnse nationaliteit van de moeder te kunnen<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 11<br \/>\nverwerven. Het verwerven van de Algerijnse nationaliteit zal dan ook ten vroegste gebeuren op het moment dat ook de voorwaarde om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, aanwezig is.<br \/>\nEr ligt ook geen significante band met Algerije voor, nu mevrouw XXX dat land al ten laatste in 1998 verliet om zich duurzaam in Belgi\u00eb te vestigen en alle (dichte) bloedverwanten van de kinderen in Belgi\u00eb wonen, zodat een familiale opvang in Algerije niet mogelijk is.<br \/>\n8.<br \/>\nSamenvattend kan besloten worden dat de kinderen XXX en XXX op heden:<br \/>\n&#8211; juridisch gesproken staatloos zijn,<br \/>\n&#8211; enkel met Belgi\u00eb een significante band hebben,<br \/>\n&#8211; feitelijk bewijs voorligt dat zij hun familiale belangen in Belgi\u00eb hebben,<br \/>\n&#8211; op de drempel staan van de Belgische nationaliteit, nu bewijs voorligt dat alle daarvoor gestelde feitelijke voorwaarden aanwezig zijn en dat enkel nog formeel-juridisch bekrachtigd moet worden.<br \/>\nAls staatlozen, vallen de kinderen binnen het toepassingsgebied van het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende het statuut van staatlozen. Belgi\u00eb is gebonden sinds 27 mei 1960, Turkije trad toe op 26 maart 2015 (zie de actuele status van het verdrag: https:\/\/treaties.un.org\/pages\/ViewDetailsII.aspx?src=TREATY&#038;mtdsg_no=V-3&#038;chapter=5&#038;Temp=mtdsg2&#038;clang=_fr) . Dat betekent dat het verdrag bindend is voor Turkije en beide kinderen er rechten zouden kunnen uit putten ten aanzien van de Turkse autoriteiten \u2013 onder meer wat het bekomen van reisdocumenten betreft. De artikelen 25 tot 28 van genoemd verdrag legt aan de Staat waar de staatloze verblijft immers een reeks verplichtingen van administratieve bijstand op, waaronder de plicht om identiteitspapieren of reisdocumenten te verstrekken.<br \/>\nOp basis daarvan zou kunnen gesteld worden dat de eisende partijen zich tot de Turkse overheden moeten richten. Het is evenwel onbekend \u2013 en in het kader en tijdsbestek van de kortgedingprocedure onmogelijk te onderzoeken \u2013 in welke mate en zin de Turkse overheid het genoemde verdrag in de praktijk omzet en of Turkije de kinderen als staatloos in de zin van het verdrag beschouwt. Het is bovendien aannemelijk dat verzoeken om documenten op het bezwaar zullen stuiten dat de identiteit van de kinderen onbekend is \u2013 wat een bewijsproblematiek zou meebrengen, dezelfde bewijsproblematiek als ten aanzien van Belgi\u00eb, maar met dat verschil dat op heden in Belgi\u00eb door middel van het DNA-onderzoek al voldoende feitelijke klaarheid werd geschapen. Het is niet zeker of de Turkse overheden het in Belgi\u00eb gerealiseerde onderzoek zonder meer zouden aanvaarden, minstens zijn er belangrijk tijdsverlies en kosten voor onder meer het vertalen van de stukken. Het aanspreken van de Turkse autoriteiten zou met andere woorden bijkomende obstakels voor de eisende partijen meebrengen. Dat wordt nog versterkt door het feit dat zij niet vertrouwd zijn met de Turkse maatschappij, rechtsorde en taal.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 12<br \/>\nIn die omstandigheden is het evident en gerechtvaardigd dat zij zich tot de Belgische Staat richten om beschermende maatregelen te bekomen. Dat ook de Turkse autoriteiten soelaas zouden kunnen brengen \u2013 wat onzeker is en door geen van de partijen beweerd wordt \u2013 is in het licht van de concrete omstandigheden onvoldoende om te besluiten dat geen beroep mag of kan worden gedaan op de Belgische Staat.<br \/>\nD. Afdwingbaarheid van een maatregel<br \/>\n1.<br \/>\nEisende partijen verduidelijken ter zitting dat ook hun vordering tot \u2018repatri\u00ebring\u2019 slaat op de wens dat de Belgische Staat administratieve documenten aflevert die het mogelijk maken om met de kinderen vanuit Turkije naar Belgi\u00eb te reizen.<br \/>\n2.<br \/>\nHet betreft maatregelen die praktisch realiseerbaar zijn voor de Belgische Staat, zij het via de diplomatieke of consulaire weg en dienstverlening, dan wel door middel van samenwerking met de Turkse autoriteiten \u2013 waarbij er geen enkel element is dat erop wijst dat de Turkse overheden zich zouden verzetten tegen het overbrengen van de kinderen naar Belgi\u00eb, dan wel daartoe een grondslag zouden hebben.<br \/>\nEvenmin kan vanuit enige ander land een bezwaar verwacht worden. De kinderen hebben, zoals uiteengezet, van geen enkel land de nationaliteit, noch met enig land een re\u00eble band, in die mate dat het betrokken land de kinderen als onderdaan beschouwt en zou willen in bescherming nemen. Vanuit internationaal publiekrechtelijk oogpunt \u2013 meer bepaald het respect dat men moet opbrengen voor het gezag dat een land over zijn onderdanen mag uitoefenen \u2013 verzet er zich aldus niets tegen dat Belgi\u00eb beschermende maatregelen neemt ten aanzien van de kinderen en hen opneemt op het eigen grondgebied.<br \/>\n3.<br \/>\nEr is geen directe specifieke en expliciete rechtsgrond waarop de kinderen zich momenteel kunnen steunen om de afgifte van de gewenste documenten door de Belgische Staat af te dwingen. Het is juridisch immers nog niet vastgesteld dat zij Belg zijn, evenmin werden zij officieel als staatloze erkend \u2013 voor zover zij staatloze zouden zijn, voldoen zij bovendien niet aan de door de wet gestelde verblijfsvoorwaarden die de Belgische wetgeving stelt om een band met Belgi\u00eb te scheppen die voldoende is om de plicht tot handelen vanwege de Belgische overheid mee te brengen.<br \/>\nZo moet vastgesteld worden dat voor het operationaliseren van de bepalingen van het Consulair Wetboek inzake het verschaffen van documenten (artikelen 50 en volgende van het Consulair<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 13<br \/>\nWetboek), telkens minstens \u00e9\u00e9n van de voorwaarden (nationaliteit of verblijfsmatige band met Belgi\u00eb) niet aanwezig is. Hetzelfde in verband met de plicht tot het verlenen van consulaire bijstand (artikelen 75 en volgende van het Consulair Wetboek).<br \/>\nVoor zover mevrouw XXX beroep zou doen op de genoemde bepalingen, is er het obstakel dat zij juridisch nog niet als de moeder van de kinderen is erkend en in feite niet voor die kinderen kan optreden of maatregelen kan vragen.<br \/>\nLos van de specifieke bepalingen, kan om dezelfde redenen ook geen beroep gedaan worden op het algemene, uit het internationaal publiekrecht voortvloeiende recht van de Belgische Staat om de onderdanen te beschermen \u2013 ook wanneer zij zich in het buitenland bevinden \u2013 noch op de verdragsrechtelijke plichten die op de Belgische Staat rusten, zoals verwoord in onder meer het Europees verdrag voor de rechten van de mens, het Kinderrechtenverdrag of het Verdrag inzake het statuut van staatlozen.<br \/>\n4.<br \/>\nNiettemin is de door eisende partijen gewenste tussenkomst van de Belgische Staat een van de Belgische Staat afdwingbare juridische verplichting. Uit de cumulatie van de genoemde juridische bepalingen en de plichten die ze meebrengen voor de Belgische Staat (maar die op zich niet steeds door een individuele rechtsonderhorige direct juridisch afdwingbaar zijn) enerzijds, en de plaatsing ervan in de concrete feitelijke omstandigheden van deze zaak, anderzijds, moet immers geconcludeerd worden dat er voor de Belgische Staat een door een individu afdwingbare positieve handelingsplicht uit voortvloeit. Het betreft met name een handelswijze die iedere normale zorgvuldige staat, geplaatst in dezelfde omstandigheden, in acht zou nemen.<br \/>\nHet gaat met name om volgende engagementen die de Belgische Staat in internationale context heeft:<br \/>\n&#8211; hulp en bijstand aan de eigen onderdanen (algemeen volkenrechtelijk principe, onder meer tot uiting komend in het feit dat landen ambassades en consulaten hebben in het buitenland)<br \/>\n&#8211; consulaire administratieve ondersteuning en bijstand aan de eigen onderdanen (artikelen 50 en volgende en 75 en volgende van het Consulair Wetboek)<br \/>\n&#8211; erkenning en verlenen van rechten aan staatlozen (Verdrag van 28 september 1954 betreffende het statuut van staatlozen)<br \/>\n&#8211; de mogelijkheid om een humanitair visum te verlenen aan niet-onderdanen (zie de praktijk op grond van de artikelen 9 en 13 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen)<br \/>\n&#8211; het actief dienen van de belangen van beschermingsbehoeftige minderjarigen (zie onder meer de artikel 3,2de, en 4 van het Kinderrechtenverdrag), het eerbiedigen van de verantwoordelijkheden van de familieleden die het kind onder zich hebben (zie artikel 5<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 14<br \/>\nvan het Kinderrechtenverdrag), het garanderen van de ontwikkeling van het kind (artikel 6 van het Kinderrechtenverdrag), het eerbiedigen van de identiteit van de kinderen (zie artikel 8 van het Kinderrechtenverdrag), het bieden van bescherming en bijstand voor kinderen die niet in het eigen gezin kunnen worden verzorgd (zie artikel 20 van het Kinderrechtenverdrag), de analoge bescherming die moet worden geboden aan kinderen die (kandidaat-)vluchteling zijn (zie artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag)<br \/>\n&#8211; het respecteren van het recht op een familieleven (artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de Mens)<br \/>\nZoals gezegd, bevinden de kinderen zich momenteel in feitelijke omstandigheden die een sterke band met Belgi\u00eb cre\u00ebren en die niet ge\u00ebvenaard wordt door een band met enig ander land \u2013 in die mate dat de Belgische Staat de enige, zo niet, de meest aangewezen instantie is om de concretisering van de opgesomde verplichtingen ten aanzien van de kinderen op zich te nemen. De kinderen zijn immers feitelijk staatloos, dan wel Belg, bevinden zich in precaire en schadelijke omstandigheden, hebben enkel in Belgi\u00eb zorgverstrekkende familieleden en enkel in Belgi\u00eb een stabiel ontwikkelingsperspectief op lange termijn. Op de vereiste korte termijn is daarvoor geen gelijkwaardig of anderszins afdoende alternatief beschikbaar.<br \/>\nOm in het concrete geval te voldoen aan de opgesomde plichten die de Belgische Staat is aangegaan en om te verhelpen aan de noodsituatie waarin de kinderen en hun Belgische familieleden zich bevinden, is het bijgevolg vereist dat aan de kinderen de nodige administratieve, identiteits- en\/of reisdocumenten worden verschaft, waarmee zij onder begeleiding van een familielid (mevrouw XXX, de heer XXX of mevrouw XXX) vanuit Turkije naar Belgi\u00eb kunnen reizen en Belgi\u00eb kunnen binnenkomen.<br \/>\nDe vordering van eisende partijen is gegrond.<br \/>\nE. Uitvoerbaarheid en dwangsom<br \/>\n1.<br \/>\nDeze beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek) en moet bijgevolg niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden. Er is geen reden om ze op de minuut uitvoerbaar te verklaren.<br \/>\n2.<br \/>\nDe naleving van de huidige beslissing moet zo goed als mogelijk gegarandeerd worden. Het is daarom aangewezen de veroordeling van de Belgische Staat te koppelen aan de hieronder bepaalde dwangsom.<br \/>\nNederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel \u2013 XXX p. 15<br \/>\nF. Gerechtskosten<br \/>\nDe Belgische Staat is als in het ongelijk gestelde partij gehouden tot de gerechtskosten. De rechtslegingsvergoeding is te begroten op het basisbedrag voor een niet in geld waardeerbare vorderingen.<br \/>\nOM DEZE REDENEN<br \/>\nDE RECHTBANK<br \/>\nXXX, rechter, aangesteld om de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg zetelende te Brussel te vervangen, bijgestaan door XXX, afgevaardigd griffier,<br \/>\nRechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.<br \/>\nStelt vast dat de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd, werden toegepast.<br \/>\nVerklaart de vordering van mevrouw XXX, juffrouw XXX en juffrouw XXX ontvankelijk en in volgende mate gegrond.<br \/>\nBeveelt de Belgische Staat om aan juffrouw XXX en juffrouw XXX de identiteits-, administratieve- en\/of reisdocumenten te bezorgen die hen in staat stellen om onder begeleiding vanuit Turkije naar Belgi\u00eb te reizen en regelmatig Belgi\u00eb binnen te komen.<br \/>\nZegt dat die verplichting moet worden uitgevoerd binnen een termijn van \u00e9\u00e9n maand na betekening van deze beslissing, onder verbeurte van een dwangsom van \u20ac 5.000,00 per dag vertraging en per kind, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van \u20ac 500.000,00.<br \/>\nVeroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan mevrouw XXX, juffrouw XXX en juffrouw XXX van \u20ac 256,61 (dagvaardingskosten, rolrechten en bijdrage aan het fonds juridische tweedelijnsbijstand) + \u20ac 1.440,00 (rechtsplegingsvergoeding).<br \/>\nAldus gewezen en uitspraak gedaan ter buitengewone openbare terechtzitting van de 10e kamer van 19 december 2018.<\/p>\n","protected":false},"author":16,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[37],"tags":[64,83,54,51,63],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/786"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/16"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=786"}],"version-history":[{"count":4,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/786\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":791,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/786\/revisions\/791"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=786"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=786"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=786"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}