{"id":783,"date":"2019-05-22T12:00:00","date_gmt":"2019-05-22T12:00:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=783"},"modified":"2023-02-19T17:19:05","modified_gmt":"2023-02-19T17:19:05","slug":"g-v-kingdom-of-belgium","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=783","title":{"rendered":"G. v. Kingdom of Belgium"},"content":{"rendered":"\n<h6>Brussels Court of Appeal, G. v. Kingdom of Belgium, Nr. 2019\/KR\/5, 19 December 2018<\/h6>\n\n\n\n<p>This case concerns an appeal by the Belgian State against the order on provisional measures in G. v. Kingdom of Belgium, which held that the Belgian state must enable two children born in Syria to travel to Belgium based on Belgium\u2019s international obligations. While the judgment had been implemented and the children had been brought to Belgium, the Belgian State nonetheless claimed the initial order set a flawed precedent.<br><br>The Court of Appeal asserted that the mother\u2019s original claim did fall under the jurisdiction of the ordinary courts as it concerned the subjective rights of children based on international law instruments. Furthermore, it ruled that the court of first instance did not exceed its jurisdiction by ruling that the children should be enabled to travel to Belgium even though the conditions of national law were not fulfilled, as it did so to avoid violations of their rights provided for by international law. On the other hand, the Court agreed with the Belgian State that the requirement of urgency for a summary procedure had not been fulfilled.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2023\/02\/id_dvcodgmq.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Repertoriumnummer<br \/>\n2019 \/<br \/>\nDatum van uitspraak<br \/>\nRolnummer<br \/>\n2019\/KR\/5<br \/>\n\uf06f<br \/>\nNiet aan te bieden aan de ontvanger<br \/>\nUitgifte<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nBUR<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nBUR<br \/>\nUitgereikt aan<br \/>\nop<br \/>\n\u20ac<br \/>\nBUR<br \/>\nHof van beroep<br \/>\nBrussel<br \/>\nArrest<br \/>\nKamer 18N<br \/>\nAangeboden op<br \/>\nNiet te registreren<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 2<br \/>\n1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115<br \/>\nVertegenwoordigd door Mr.<br \/>\n2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor asiel en migratie en administratieve vereenvoudiging, met kantoren te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59b (Dienst Vreemdelingenzaken)<br \/>\nVertegenwoordigd door Mr.<br \/>\n3) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Buitenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Karmelietenstraat 15<br \/>\nVertegenwoordigd door Mr.<br \/>\nAppellant,<br \/>\ntegen de beschikking van de tiende kamer &#8211; kortgeding van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 19 december 2018<br \/>\ntegen<br \/>\nMevrouw Amina GHEZZAL, met laatst gekende woonplaats te 3582 Beringen, Burgemeester Heymansplein 44\/3, thans verblijvende in het penitentiair complex te Kayseri (Kayseri 1 Nolu T Tipi Kapali Ceza Infaz Kurumu, Camikebir Mahallesi, 38600 B\u00fcnyan\/Kayseri, Turkije), handelend zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van (beweerde) ouder en beheerder over de persoon en de goederen van de minderjarige kinderen Sirin GHEZZAL, geboren te Raqqa (Syri\u00eb) op 22 november 2014 en Maria GHEZZAL, geboren te Raqqa (Syri\u00eb) op 13 oktober 2016, beiden thans verblijvende te 3582 Koersel \u2013 Beringen, Waterstraat 23<br \/>\nGe\u00efntimeerde,<br \/>\nVertegenwoordigd door Mr.<br \/>\n\u00b0 \u00b0 \u00b0<br \/>\nNa inberaadneming op 10 april 2019 spreekt het hof volgend arrest uit:<br \/>\nGelet op:<br \/>\n&#8211; het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking uitgesproken door de tiende &#8211; kortgeding kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel op 19 december 2018<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 3<br \/>\n(zaak gekend onder het rolnummer 18\/72\/C), beslissing die werd betekend op 27 december 2018 aan de BELGISCHE STAAT;<br \/>\n&#8211; het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 25 januari 2019, namens de BELGISCHE STAAT;<br \/>\n&#8211; de syntheseconclusie in hoger beroep van de BELGISCHE STAAT, neergelegd ter griffie van het hof op 20 maart 2019;<br \/>\n&#8211; de syntheseberoepsbesluiten van mevrouw Amina GHEZZAL, neergelegd ter griffie van het hof op [datum aanvullen];<br \/>\n&#8211; de stukkenbundel van de BELGISCHE STAAT, neergelegd ter griffie van het hof op 20 maart 2019;<br \/>\n&#8211; de aanvullende stukken van de BELGISCHE STAAT (rechtspraak en rechtsleer), neergelegd ter zitting van 10 april 2019;<br \/>\n&#8211; de stukkenbundel van mevrouw Amina GHEZZAL, neergelegd ter griffie van het hof op 8 april 2019.<br \/>\nGehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting van 10 april 2019.<br \/>\n\u00b0 \u00b0 \u00b0<br \/>\nI. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN<br \/>\n1. De oorspronkelijke vordering van mevrouw GHEZZAL strekte ertoe de BELGISCHE STAAT te veroordelen om onmiddellijk het overbrengen van de kinderen Sirin GHEZZAL, geboren te Raqqa (Syri\u00eb) op 22 november 2014, en Maria GHEZZAL, geboren te Raqqa (Syri\u00eb) op 13 oktober 2016, naar Belgi\u00eb te faciliteren door hen reisdocumenten\/laissez-passer af te leveren, dan wel hen vanuit Turkije \u201cte repatri\u00ebren\u201d, op straffe van een dwangsom van \u20ac 5.000,00 per dag vertraging, vanaf een maand na betekening van de beschikking.<br \/>\nIn ondergeschikte orde vroeg mevrouw GHEZZAL de zaak in voortzetting te plaatsen voor neerlegging van de resultaten van het DNA-onderzoek inzake de vaderlijke afstamming van de kinderen.<br \/>\nTen slotte vroeg ze de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een \u201cminimumrechtsplegingsvergoeding\u201d, begroot op \u20ac 1.440,00 en de beschikking bij voorraad uitvoerbaar te horen verklaren en op de minuut, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgtocht noch kantonnement.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 4<br \/>\n2. De BELGISCHE STAAT vroeg de vordering van mevrouw GHEZZAL af te wijzen als ongegrond en mevrouw GHEZZAL te veroordelen tot de gerechtskosten, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van \u20ac 1.440,00.<br \/>\n3. Bij beschikking van 19 december 2018 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:<br \/>\n\u201cBeveelt de Belgische Staat om aan juffrouw Sirin GHEZZAL en juffrouw Marie GHEZZAL de identiteits-, administratieve- en of\/reisdocumenten te bezorgen die hen in staat stellen om onder begeleiding vanuit Turkije naar Belgi\u00eb te reizen en regelmatig Belgi\u00eb binnen te komen.<br \/>\nZegt dat die verplichting moet worden uitgevoerd binnen een termijn van \u00e9\u00e9n maand na betekening van deze beslissing, onder verbeurte van een dwangsom van \u20ac 5.000,00 per dag vertraging en per kind, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van \u20ac 500.000,00.<br \/>\nVeroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan mevrouw Amina GHEZZAL, juffrouw Sirin GHEZZAL en juffrouw Maria GHEZZAL van \u20ac 256,61 (dagvaardingskosten, rolrechten en bijdrage aan het fonds juridische tweedelijnsbijstand) + \u20ac 1.440,00 (rechtsplegingsvergoeding).\u201d<br \/>\n4. In hoger beroep vraagt de BELGISCHE STAAT:<br \/>\n\u201cHet ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;<br \/>\ndienvolgens de beschikking a quo te hervormen en te doen wat de eerste rechter behoorde te doen, met name de oorspronkelijke vordering van ge\u00efntimeerde onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, alleszins voor wat de gevorderde dwangsom betreft;<br \/>\n-in elk geval, ge\u00efntimeerde te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, zowel in eerste aanleg, als in graad van beroep.\u201d<br \/>\n5. Mevrouw GHEZZAL vraagt het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.<br \/>\nIn ondergeschikte orde vraagt zij de zaak in voorzetting te plaatsen voor neerlegging van het vonnis inzake vaststelling moederlijke afstamming.<br \/>\nZij vordert tevens de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg, als in graad van beroep.<br \/>\nII. RELEVANTE FEITEN<br \/>\n6. De eerste rechter heeft de relevante feiten op deugdelijke wijze samengevat. Het hof maakt zich deze samenvatting eigen:<br \/>\n\u201cMevrouw GHEZZAL werd geboren op 20 januari 1989 te Algerije en heeft sindsdien de Algerijnse nationaliteit. Ze heeft op 11 februari 2005 ook de Belgische nationaliteit verkregen.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 5<br \/>\nVolgens haar conclusies vertrok ze in oktober 2013 naar Syri\u00eb. Ze werd van ambtswege uit de Belgische bevolkingsregisters afgevoerd op 12 december 2013.<br \/>\nIn Syri\u00eb had ze naar eigen zeggen een relatie (een \u201creligieus huwelijk\u201d) met de heer Abdelkarim ELOUSSAKI, houder van de Belgische nationaliteit. Uit de relatie zouden twee kinderen geboren zijn: Sirin GHEZZAL op 22 november 2014 en Maria GHEZZAL op 13 oktober 2016. Beide kinderen werden geboren te Syri\u00eb, Raqqa. Nu de geboortes in oorlogsgebied plaatsvonden, werden ze niet geregistreerd en zijn er geen geboorteaktes.<br \/>\nVolgens het relaas van mevrouw GHEZZAL overleed de heer ELOUSSAKI in maart 2016. Zijzelf vluchtte eind 2017 met de twee kinderen naar Turkije. Op 7 januari 2018 werd ze in Turkije opgepakt en opgesloten. Op 3 april 2018 werd ze veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar. Tegen die beslissing werd hoger beroep ingesteld, een beslissing daarover is er niet, minstens niet gekend.<br \/>\nSinds 7 januari 2018 verblijft mevrouw GHEZZAL onafgebroken in de gevangenis. Aangezien de kinderen geen geboorteakte hebben, werden ze niet toegelaten mevrouw GHEZZAL te vergezellen. Zij werden in Turkije opgevangen door de moeder van mevrouw GHEZZAL, mevrouw Rachma AYAD, met de Belgische nationaliteit en woonplaats te Beringen.<br \/>\nNog v\u00f3\u00f3r haar opsluiting in de gevangenis te Turkije, had mevrouw GHEZZAL aan de Belgische ambassade in Turkije om reisdocumenten verzocht om door te reizen naar Belgi\u00eb. Er werd evenwel ge\u00ebist dat zij de afstamming van de kinderen bewees, wat niet lukte vooraleer zij werd opgepakt.<br \/>\nOp 14 maart 2018 werd in Turkije een bloedstaal afgenomen van beide kinderen. Het was niet mogelijk een bloedstaal van mevrouw GHEZZAL af te nemen omdat de toegang tot de gevangenis geweigerd werd, de gewenste onderzoeksdaad vereiste volgens de Turkse autoriteiten het naleven van een andere procedure.<br \/>\nDe bloedstalen van de kinderen werden via diplomatieke weg naar Belgi\u00eb overgebracht en vergeleken met bloedstalen van de ouders van mevrouw GHEZZAL, de heer Ahmed GHEZZAL en mevrouw Rachma AYAD, beide van Belgische nationaliteit en met woonplaats te Beringen.<br \/>\nIn een verslag van 20 juni 2018 van het ULB Erasmus Ziekenhuis wordt aangegeven dat zij met een zekerheid van 99,99 % de grootouders zijn van de kinderen.<br \/>\nOp basis van die resultaten werd aan de Belgische ambassade in Turkije opnieuw om reisdocumenten gevraagd, zonder resultaat.<br \/>\nHet verblijf van mevrouw AYAD in Turkije werd volgens eisende partijen inmiddels onmogelijk gemaakt doordat de Turkse autoriteiten op 6 september 2018 een inreisverbod hebben uitgevaardigd met een duurtijd van zestig maanden omdat zij voordien langer in Turkije verbleef dan door haar visum toegelaten. Zij menen dat een regularisatie van die toestand geweigerd wordt door het Turkse consulaat te Antwerpen. Er zijn geen stukken waaruit dat met zekerheid kan worden afgeleid.<br \/>\nVolgens de Belgische Staat zouden de kinderen in Turkije kunnen opgevangen worden door de familie van de nieuwe partner van mevrouw GHEZZAL, wat wordt betwist door eisende partijen. Zij wijzen erop dat mevrouw AYAD zelf een appartement in Turkije huurde en inrichtte om er de kinderen op te vangen<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 6<br \/>\nen te verzorgen. Inmiddels kan mevrouw AYAD dat evenwel niet meer zelf doen en werd de taak overgenomen door de zus van mevrouw Amina GHEZZAL, Nora GHEZZAL, die 19 jaar oud zou zijn.<br \/>\nOm de moederlijke afstamming te laten vaststellen werd inmiddels in Belgi\u00eb een gerechtelijke procedure voorbereid door een voogd ad hoc te laten aanstellen voor de kinderen. Dat gebeurde bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg van 13 november 2018. De procedure zelf werd nog niet gestart.<br \/>\nEen procedure in Turkije om de moederlijke afstamming te laten vaststellen, werd ongegrond verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kayseri. Volgens de raadsman van eisende partijen omdat de Turkse rechtbank zich niet internationaal bevoegd achtte. Dat kan niet afgeleid worden uit de stukken.<br \/>\nHet is niet bekend of in Turkije andere stappen werden gezet om de situatie van de kinderen te regulariseren of te verbeteren \u2013 zoals aanvraag om erkend te worden als staatloze \u2013 noch wat de duur en slaagkansen van procedures in Turkije zouden zijn.\u201d<br \/>\n7. Het hof vult dit feitenrelaas aan als volgt.<br \/>\n7.1. De bevoegde Minister voor asiel en migratie en administratieve vereenvoudiging, Dienst Vreemdelingenzaken heeft op 22 januari 2019 beslist om een vrijgeleide (laissez-passer) en een visum D (code B17) toe te kennen aan de minderjarige kinderen Sirin GHEZZAL en Maria GHEZZAL.<br \/>\nHet visum voor de kinderen impliceert een toelating om gedurende \u00e9\u00e9n jaar op Belgisch grondgebied te verblijven. Vooraleer de vrijgeleides met visum overhandigd werden, diende de begeleider een document voor ontvangst te ondertekenen waarin de voorwaarden om het verblijf van de kinderen te kunnen verlengen, opgelijst staan. Dit houdt in:<br \/>\n&#8211; het kunnen aantonen en bewijzen van hun identiteit;<br \/>\n&#8211; het voorleggen van stukken die het overlijden van de vader aantonen, alsook het bewijs dat de moeder akkoord is gegaan om de kinderen aan de grootmoeder (m.n. mevrouw Rachma Ayad) toe te wijzen, of het voorleggen van een gerechtelijke beslissing waarin het hoederecht aan de grootouders van moederskant (m.n. de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad) wordt toegewezen;<br \/>\n&#8211; het voorleggen van stukken die een effectieve samenwoonst met de grootouders van moederskant (m.n. de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad) aantonen.<br \/>\nDe (beweerde) tante van de kinderen (m.n. mevrouw Nora Ghezzal), diende over een schriftelijke toestemming van mevrouw Amina GHEZZAL te beschikken waarin laatstgenoemde haar akkoord geeft dat de kinderen naar Belgi\u00eb terugkeren.<br \/>\nDe visa in kwestie bevatten tevens een aantal verplichte vermeldingen:<br \/>\n&#8211; naast de visumstickers wordt op de vrijgeleide vermeld (met de hand geschreven) \u201cvisa d\u00e9livr\u00e9 sous r\u00e9serve de tous droits\u201d (vrije vertaling: \u201cvisa afgeleverd onder voorbehoud van alle rechten\u201d);<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 7<br \/>\n&#8211; ook op het document waarin de voorwaarden om het verblijf van de kinderen te kunnen verlengen, opgelijst staan, wordt vermeld: \u201cvisa d\u00e9livr\u00e9 sous r\u00e9serve de tous droits\u201d (vrije vertaling: \u201cvisa afgeleverd onder voorbehoud van alle rechten\u201d).<br \/>\nDe reis van Kayseri naar Istanboel en van Istanboel naar Brussel diende verder door de familie gefinancierd te worden.<br \/>\n7.2. De kinderen zijn op 4 februari 2019 in Belgi\u00eb aangekomen.<br \/>\nDe rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie jeugdrechtbank, besliste op 4 februari 2019 om de kinderen toe te vertrouwen aan het gezin van de ouders van mevrouw GHEZZAL, mits een verdere begeleiding van de dienst Pleegzorg Limburg.<br \/>\nDe kinderen worden thans niet alleen door de jeugdrechter en de dienst Pleegzorg Limburg gevolgd, maar ook door de Sociale Dienst Jeugdrechtbank Hasselt (SDJ Hasselt), Kind en Gezin regio Beringen, CLB GO! Limburg-Noord Adite, GO! PRO, Jongerenwelzijn OSD en tot slot door een deradicaliseringsambtenaar.<br \/>\nDe kinderen zijn ingeschreven op het adres van voormelde grootouders langs moederszijde (m.n. de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad), wonende in de Waterstraat 23 te 3582 Koersel-Beringen. Er werd hen een bewijs van identiteit overhandigd.<br \/>\nDe kinderen zijn ingeschreven in de GO! Freinetschool De Step te Beringen.<br \/>\n7.3. Op 20 maart 2019 heeft mevrouw GHEZZAL een dagvaarding uitgebracht inzake vaststelling moederschap overeenkomstig art. 314 B.W. De zaak werd ingeleid op 4 april 2019 voor de 6de I kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, en vervolgens uitgesteld naar de zitting van 21 mei 2019 daar het Openbaar Ministerie schriftelijk advies wenste te verlenen.<br \/>\nIII. BESPREKING<br \/>\nIII.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep<br \/>\n8. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld.<br \/>\n9. Mevrouw GHEZZAL is van oordeel dat de BELGISCHE STAAT geen (actueel) belang heeft bij het instellen of verderzetten van de beroepsprocedure, om reden dat een vrijgeleide en een visum D werden afgeleverd en de kinderen op 4 februari 2019 in Belgi\u00eb zijn aangekomen.<br \/>\nBovendien stelt mevrouw GHEZZAL dat de kinderen minderjarig zijn en niet gerepatrieerd kunnen worden in geval de bestreden beslissing zou worden hervormd.<br \/>\nZij stelt tevens dat de kinderen staatloos zijn en dat staatlozen niet gerepatrieerd kunnen worden.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 8<br \/>\nMeer nog stelt mevrouw GHEZZAL dat het hoger beroep zonder voorwerp is, om reden dat de BELGISCHE STAAT de beschikking van de kortgedingrechter heeft uitgevoerd, met name door het afleveren van reisdocumenten. Zij voegt eraan toe dat de kinderen reeds in Belgi\u00eb zijn aangekomen.<br \/>\nUit het standpunt van de BELGISCHE STAAT dat hij wil voorkomen dat er een \u201cprecedent\u201d wordt gecre\u00eberd \u201comdat het de deur openzet voor een ongebreidelde terugkeer van kinderen\u201d, leidt mevrouw GHEZZAL af dat het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT eerder politiek getint is en dat het belang van de BELGISCHE STAAT bijgevolg van politieke aard is. Voor dergelijk belang kan de BELGISCHE STAAT geen beroep doen op de hoven en rechtbanken. Het politiek belang van de BELGISCHE STAAT weerstaat volgens mevrouw GHEZZAL niet de toetsing van de ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de rechtsvordering zoals bepaald in art. 17 en 18 Ger. W.<br \/>\n10. De BELGISCHE STAAT stelt dat het niet zijn intentie is om de kinderen terug te sturen, maar wil wel dat voor het cre\u00ebren van de vereiste juridische voorwaarden rekening wordt gehouden met het bestaande wettelijk en reglementair kader, hetgeen de eerste rechter ten onrechte niet heeft gedaan. De BELGISCHE STAAT stelt dat hij er alle belang bij heeft om het door de eerste rechter gecre\u00eberde imaginaire juridische kader als \u201cprecedent\u201d uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen, omdat het de deur openzet voor een ongebreidelde terugkeer van kinderen zonder dat aan de daarvoor vereiste vooropgestelde wettelijke en reglementaire voorwaarden zou voldaan zijn.<br \/>\nVerder benadrukt de BELGISCHE STAAT dat de afgeleverde verblijfstitels (op grond waarvan de terugkeer van de kinderen concreet werd gerealiseerd) niet onvoorwaardelijk werden afgeleverd. De verlenging van de verblijfstitels is immers slechts mogelijk wanneer een aantal voorwaarden vervuld worden, zo onder meer het zetten van de nodige stappen om de afstamming en vervolgens de nationaliteit te kunnen vaststellen. Indien mevrouw GHEZZAL zou nalaten om voormelde initiatieven te nemen, kan niet worden uitgesloten dat de kinderen geen verlenging van hun verblijfstitels zouden bekomen. In die hypothese heeft de BELGISCHE STAAT er alle belang bij dat de eerder door de eerste rechter gewezen beschikking hervormd zou worden, ten einde ook in die hypothese het bestaande wettelijke en reglementaire kader alsnog te kunnen toepassen.<br \/>\nBovendien stelt de BELGISCHE STAAT dat hij er belang bij heeft te doen vaststellen dat de ingestelde vordering tot het opleggen van maatregelen niet (meer) urgent is. Bij vaststelling van het feit dat de oorspronkelijke eis niet meer urgent is, zal de oorspronkelijke eiser immers in graad van beroep veroordeeld worden tot de kosten van de procedure.<br \/>\nZelfs wanneer de gevraagde maatregel in de loop van de procedure is genomen en uitgevoerd, stelt de BELGISCHE STAAT dat de eisende partijen, zelfs als zij bekomen hebben wat zij wilden in gevolge de beschikking in eerste aanleg, toch nog tot de gerechtskosten kunnen veroordeeld worden. Hij verwijst in dat verband naar rechtspraak van het Hof van Cassatie (o. m. Cass. 17 april 2009, AR C.08.0329.N, Arr. Cass. 2009, afl. 4, 1030, RW 2009-10, afl. 42, 1777).<br \/>\nOok om die reden besluit de BELGISCHE STAAT dat hij nog over het vereiste belang beschikt voor het voeren van de beroepsprocedure.<br \/>\n11. Mevrouw GHEZZAL betwist dit standpunt van de BELGISCHE STAAT en stelt dat het arrest van het Hof van Cassatie van 17 april 2009 achterhaald is. Zij verwijst naar latere rechtspraak van het Hof van Cassatie waarin werd beslist dat het verdwijnen van urgentie de appelrechter niet ontslaat van de<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 9<br \/>\nverplichting om na te gaan of de maatregel wettig was op het tijdstip dat deze bevolen werd (in die zin Cass. 4 februari 2011, AR C.10.0459.N, Arr. Cass. 2011, 413; JT 2011, 246, noot J.-F. VAN DROOGHENBROECK, RABG 2011, 817, RW 2011-12, 866, noot J. VAN DONINCK; Cass. 16 juni 2011, AR C.10.0153.F, Arr. Cass. 2011, 1556, JT 2011, 631, noot).<br \/>\nMevrouw GHEZZAL merkt ook op dat het onrechtvaardig zou zijn haar te veroordelen tot de kosten. Immers, wegens het uitblijven van een beslissing inzake de terugkeer van de kinderen heeft mevrouw GHEZZAL de BELGISCHE STAAT in rechte moeten dagvaarden. Pas nadat hij daartoe door de eerste rechter veroordeeld werd, heeft de BELGISCHE STAAT identiteits-, administratieve en\/of reisdocumenten afgeleverd. Na het afleveren van deze documenten werd er door de BELGISCHE STAAT hoger beroep aangetekend. Mevrouw GHEZZAL nu veroordelen tot de kosten, zou betekenen dat een partij te kwader trouw een beslissing in rechte kan afwachten, veroordeeld worden tot o.a. de kosten, de beslissing uitvoeren en vervolgens beroep aantekenen om de kosten alsnog te laten overhevelen aan de initieel in het gelijk gestelde partij.<br \/>\n12. In hoger beroep heeft het belangvereiste een dubbele betekenis, meer bepaald een specifieke en een algemene toelaatbaarheidsvereiste. Beide toelaatbaarheidsvereisten dienen achtereenvolgens te worden onderzocht. Ten eerste is het belang een autonome toelaatbaarheidsvoorwaarde voor het hoger beroep, meer bepaald heeft enkel de partij die door de eerste rechter in het beschikkend gedeelte van het vonnis in enig opzicht in het ongelijk is gesteld, belang om hoger beroep in te stellen. Vervolgens gelden de algemene voorwaarden van art. 17-18 Ger. W. De appellant dient een reeds verkregen en dadelijk belang te hebben (K. BROECKX, \u201cDe autonomie van het belang als toelaatbaarheidsvoorwaarde in hoger beroep\u201d, (noot onder Cass. 13 september 1991), RW 1991-92, 883-885).<br \/>\nDe BELGISCHE STAAT werd in de bestreden kort geding beschikking in het ongelijk gesteld en heeft derhalve belang om hoger beroep in te stellen.<br \/>\nBovendien heeft de BELGISCHE STAAT een reeds verkregen en dadelijk belang in de zin van art. 17-18 Ger. W. De BELGISCHE STAAT stelt terecht dat hij er belang bij heeft om de bestreden kort geding beschikking uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen, omdat de eerste rechter naar zijn oordeel een imaginair juridisch kader heeft gecre\u00eberd, met miskenning van het bestaande wettelijk en reglementair kader. De BELGISCHE STAAT merkt tevens terecht op dat de afgeleverde verblijfstitels (op grond waarvan de terugkeer van de kinderen concreet werd gerealiseerd) niet onvoorwaardelijk werden afgeleverd. De verlenging van de verblijfstitels is immers slechts mogelijk wanneer een aantal voorwaarden vervuld worden, zo onder meer het zetten van de nodige stappen om de afstamming en vervolgens de nationaliteit te kunnen vaststellen. Indien mevrouw GHEZZAL zou nalaten om voormelde initiatieven te nemen, kan niet worden uitgesloten dat de kinderen geen verlenging van hun verblijfstitels zouden bekomen. In die hypothese heeft de BELGISCHE STAAT er alle belang bij dat de bestreden kort geding beschikking hervormd zou worden, teneinde ook in die hypothese het bestaande wettelijke en reglementaire kader alsnog te kunnen doen gelden.<br \/>\nDe BELGISCHE STAAT heeft het vereiste belang (zowel in de specifieke als in de algemene betekenis) om hoger beroep in te stellen.<br \/>\nHet hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 10<br \/>\nIII.2. Rechtsmacht van de gewone hoven en rechtbanken<br \/>\n13. De BELGISCHE STAAT is van mening dat niet de gewone hoven en rechtbanken, maar wel de Raad van State \u201cbevoegd\u201d is voor de beoordeling van de voorliggende vordering om de initi\u00eble weigeringsbeslissing de gevraagde reisdocumenten af te leveren, te bestrijden. Hij werpt dan ook een exceptie van onbevoegdheid1 op, die de openbare orde raakt.<br \/>\n14.1. Om na te gaan of de gewone hoven en rechtbanken rechtsmacht hebben, dan wel de Raad van State rechtsmacht heeft, dient te worden onderzocht of het geschil een objectief, dan wel een subjectief recht tot voorwerp heeft.<br \/>\nIn de verhouding burger-overheid beschikt de burger slechts over een subjectief recht ten aanzien van de overheid wanneer de overheid een gebonden bevoegdheid heeft, d.i. wanneer de norm van het objectief recht de inhoud of het voorwerp bepaalt van een beslissing die de overheid moet nemen van zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodra de burger op grond van die norm van de overheid een welbepaald gedrag kan eisen.<br \/>\nOm na te gaan of de vordering betrekking heeft op een subjectief recht, moet worden gekeken naar het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering.<br \/>\n14.2. Volgens de BELGISCHE STAAT blijkt duidelijk uit de dagvaarding dat mevrouw GHEZZAL van de BELGISCHE STAAT de afgifte van reisdocumenten vordert onder verbeurte van een dwangsom. Hoewel wordt aangevoerd dat het voorwerp van de rechtsvordering een schending van artikelen uit het EVRM en het Kinderrechtenverdrag betreft, blijkt volgens de BELGISCHE STAAT duidelijk dat de werkelijke en rechtstreekse doelstelling van de vordering een hervorming van een eerdere beslissing van een administratieve overheid betreft, in casu de beslissing tot (voorlopige) impliciete weigering van de afgifte van reisdocumenten. Deze impliciete weigeringsbeslissing kan worden gekwalificeerd als een eenzijdig besluit van een administratieve overheid, zodat een beroep tegen deze beslissing bij de Raad van State diende te worden ingesteld. Het geschil heeft dus betrekking op een objectief recht.<br \/>\n14.3. Dit standpunt van de BELGISCHE STAAT kan niet worden bijgetreden. De vordering van mevrouw GHEZZAL heeft betrekking op subjectieve rechten die de kinderen putten uit o.a. het EVRM en het Kinderrechtenverdrag. Mevrouw GHEZZAL beoogde met haar vordering die gesteund is op subjectieve rechten, de terugkeer van de kinderen naar Belgi\u00eb te bekomen. Om deze terugkeer mogelijk te maken benodigde zij de aflevering van reisdocumenten door de BELGISCHE STAAT.<br \/>\nIn tegenstelling tot hetgeen de BELGISCHE STAAT voorhoudt, betreft de vordering van mevrouw GHEZZAL geen beroep tegen een (impliciete) weigeringsbeslissing van de BELGISCHE STAAT om reisdocumenten af te leveren.<br \/>\nDe vordering van mevrouw GHEZZAL behoort derhalve tot het subjectief contentieux, zodat de gewone hoven en rechtbanken rechtsmacht hebben om kennis te nemen van de vordering.<br \/>\n15.1. De BELGISCHE STAAT haalt nog een andere reden aan waarom de rechter in kort geding niet over de vereiste bevoegdheid zou beschikken om in deze zaak een beslissing te nemen. Meer bepaald legt<br \/>\n1 De BELGISCHE STAAT gebruikt de termen \u201cbevoegdheid\u201d en \u201crechtsmacht\u201d door elkaar, doch bedoelt \u201crechtsmacht\u201d.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 11<br \/>\nde BELGISCHE STAAT uit dat alvorens reisdocumenten kunnen worden afgeleverd, de nationaliteit dient te worden vastgesteld, wat enkel mogelijk is indien de afstamming vaststaat.<br \/>\nIndien de rechter in kort geding zonder dat de afstamming en de nationaliteit vaststaan, toch de afgifte van de reisdocumenten beveelt, impliceert dit volgens de BELGISCHE STAAT dat de rechter in kort geding aan beleidsvoering doet en als het ware beleidsregels uitvaardigt die enkel door de uitvoerende macht kunnen worden tot stand gebracht, hetgeen in strijd is met het grondwettelijk verankerde beginsel van de scheiding der machten en art. 6 Ger. W., dat stelt dat rechters, in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak mogen doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.<br \/>\nEen rechter kan en mag immers slechts de wet toepassen2. Hij spreekt recht en moet uitmaken wat de rechtsregel zegt, maar mag niet vervallen in een opportuniteits-, beleids- of doelmatigheidscontrole. De rechter kan de bestaande rechtsregels dan ook niet zomaar naast zich neerleggen.<br \/>\nDe BELGISCHE STAAT merkt in dat verband op dat er door de familierechtbank nog een uitspraak moet worden gedaan omtrent de afstamming.<br \/>\nAangezien de bevoegdheid van de BELGISCHE STAAT rechtstreeks getroffen wordt door de bestreden beschikking, beschikt de BELGISCHE STAAT \u2013 naar zijn mening \u2013 over het vereiste belang om die beschikking in graad van beroep aan te vechten. Dit geldt des te meer nu de onder dwang van de in de beschikking vermelde dwangsommen afgeleverde documenten onder strikte voorwaarden werden afgeleverd en derhalve in die zin niet per se tot een definitieve terugkeer en dito verblijf zouden kunnen leiden.<br \/>\n15.2. Mevrouw GHEZZAL is van oordeel dat de hoven en rechtbanken de BELGISCHE STAAT weldegelijk kunnen veroordelen tot het afleveren van reisdocumenten zonder dat er aan beleidsvoering wordt gedaan.<br \/>\nE\u00e9n en ander vloeit volgens haar bovendien voort uit de positieve verplichtingen die o.a. het EVRM aan de Verdragsstaten oplegt. Toetsing door de hoven en rechtbanken van de handeling van een Verdragsstaat aan de positieve verplichtingen van o.a. het EVRM en eventuele veroordeling om te handelen conform deze positieve verplichtingen betekent volgens haar niet dat er geraakt wordt aan de scheiding van de machten.<br \/>\nBovendien stelt mevrouw GHEZZAL dat zij weldegelijk aanspraak kan maken op de gevorderde (en inmiddels verkregen) reisdocumenten.<br \/>\nTen slotte stelt zij dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat huidige procedure geschorst wordt in afwachting van de uitspraak van de familierechtbank in de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt. De zaak staat voor behandeling op de zitting van 21 mei 2019 van de 6de I kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.<br \/>\n2 In casu de bepalingen van het Consulair Wetboek.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 12<br \/>\n15.3. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, heeft de vordering van mevrouw GHEZZAL betrekking op subjectieve rechten die de kinderen putten uit o.a. het EVRM en het Kinderrechtenverdrag. Mevrouw GHEZZAL beoogde met haar vordering die gesteund is op subjectieve rechten, de terugkeer van de kinderen naar Belgi\u00eb te bekomen. Om deze terugkeer mogelijk te maken benodigde zij de aflevering van reisdocumenten door de BELGISCHE STAAT.<br \/>\nDe rechter in kort geding is bevoegd om aan de overheid maatregelen op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijk foutieve aantasting door die overheid van de subjectieve rechten3 die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren.<br \/>\nDe eerste rechter heeft aan de BELGISCHE STAAT bevolen om aan de kinderen de identiteits-, administratieve en reisdocumenten te bezorgen die hen in staat stellen om onder begeleiding vanuit Turkije naar Belgi\u00eb te reizen en regelmatig Belgi\u00eb binnen te komen.<br \/>\nHet bevel werd opgelegd om te remedi\u00ebren aan een ogenschijnlijk foutieve schending van de subjectieve rechten van de kinderen. De eerste rechter motiveerde de beslissing onder meer als volgt:<br \/>\n\u201cZoals gezegd, bevinden de kinderen zich momenteel in feitelijke omstandigheden die een sterke band met Belgi\u00eb cre\u00ebren en die niet ge\u00ebvenaard wordt door een band met enig ander land \u2013 in die mate dat de Belgische Staat de enige, zo niet, de meest aangewezen instantie is om de concretisering van de opgesomde verplichtingen ten aanzien van de kinderen op zich te nemen. De kinderen zijn immers feitelijk staatloos, dan wel Belg, bevinden zich in precaire en schadelijke omstandigheden, hebben enkel in Belgi\u00eb zorgverstrekkende familieleden en enkel in Belgi\u00eb een stabiel ontwikkelingsperspectief op lange termijn. Op de vereiste korte termijn is daarvoor geen gelijkwaardig of anderszins afdoende alternatief beschikbaar.<br \/>\nOm in het concrete geval te voldoen aan de opgesomde plichten die de Belgische Staat is aangegaan en om te verhelpen aan de noodsituatie waarin de kinderen en hun Belgische familieleden zich bevinden, is het bijgevolg vereist dat aan de kinderen de nodige administratieve, identiteits- en\/of reisdocumenten worden verschaft, waarmee zij onder begeleiding van een familielid (mevrouw Rachma AYAD, de heer Ahmed GHEZZAL of mevrouw Nora GHEZZAL) vanuit Turkije naar Belgi\u00eb kunnen reizen en Belgi\u00eb kunnen binnenkomen.\u201d<br \/>\nDe eerste rechter heeft geen beslissing genomen over de afstamming en de nationaliteit van de kinderen en heeft de bevoegdheid van de rechter ten gronde daarover onverkort gelaten.<br \/>\nDe eerste rechter heeft derhalve gehandeld binnen de perken van zijn bevoegdheid.<br \/>\nEvenmin heeft de eerste rechter geraakt aan de scheiding der machten. Het bevel aan de BELGISCHE STAAT om identiteits-, administratieve en reisdocumenten af te leveren, betekent niet dat de rechter aan beleidsvoering doet. De eerste rechter heeft aan de overheid enkel een maatregel opgelegd om een einde te stellen aan de ogenschijnlijk foutieve schending van de subjectieve rechten van de kinderen.<br \/>\nIII.3. Spoedeisendheid<br \/>\n3 Zie supra randnr. 14.3.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 13<br \/>\n16.1. De BELGISCHE STAAT is van oordeel dat ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep de zaak zelf aanhangig wordt bij de rechter in hoger beroep. De rechter in beroep dient zich derhalve uit te spreken over vraag of er nog urgentie aanwezig is om maatregelen op te leggen.<br \/>\nNu de kinderen in Belgi\u00eb verblijven, blijkt meteen dat er geen urgentie meer is voor mevrouw GHEZZAL om maatregelen te doen opleggen. De vordering tot het opleggen van urgente maatregelen dient te worden afgewezen.<br \/>\n16.2. Mevrouw GHEZZAL betwist dit standpunt van de BELGISCHE STAAT en stelt terecht dat volgens recente cassatierechtspraak de appelrechter bij de beoordeling van het geschil zich niet kan beperken tot de loutere vaststelling dat hij geen rechtsmacht meer heeft wegens gebrek aan urgentie.<br \/>\nIn zijn arrest van 4 februari 2011 besliste het Hof van Cassatie dat de appelrechter, ook wanneer de urgentie is weggevallen op het ogenblik van de uitspraak, niettemin nog de wettigheid van de beroepen kortgedingmaatregelen moet onderzoeken: uit de devolutieve werking van het hoger beroep volgt dat de rechter die in hoger beroep kennis neemt van het hoger beroep tegen een beslissing die de maatregelen in kort geding heeft gewezen, de wettigheid van de beroepen kortgedingmaatregelen moet onderzoeken (Cass. 4 februari 2011, AR C.10.0459.N, Arr. Cass. 2011, 413, JT 2011, 246, noot J.-F. VAN DROOGHENBROECK, RABG 2011, 817, RW 2011-12, 866, noot J. VAN DONINCK).<br \/>\nOok in zijn arrest van 16 juni 2011 oordeelde het Hof van Cassatie dat uit de artikelen 584, tweede lid en 1068, eerste lid Ger. W. volgt dat het wegvallen van de hoogdringendheid in hoger beroep de rechter in kort geding, bij wie regelmatig hoger beroep is ingesteld door een partij tegen wie een voorlopige maatregel is uitgesproken, niet belet na te gaan of de beslissing van de eerste rechter verantwoord was op het ogenblik dat hij uitspraak deed en, indien nodig, die beslissing teniet te doen (Cass. 16 juni 2011, AR C.10.0153.F, Arr. Cass. 2011, 1556, JT 2011, 631, noot, RCJB 2012, 382, noot G. CLOSSET-MARCHAL).<br \/>\nHet hof dient derhalve na te gaan of de bestreden kort geding beschikking al dan niet verantwoord was op het ogenblik dat de eerste rechter uitspraak deed en, indien nodig, die beslissing teniet te doen.<br \/>\n17.1. De BELGISCHE STAAT betwist tevens dat de eerste rechter bij urgentie in kort geding kon tussenkomen. Hij stelt dat mevrouw GHEZZAL huidige vordering pas bijna tien maanden nadat zij in de gevangenis werd opgesloten, heeft ingesteld en dat zij een niet transparante en weinig co\u00f6peratieve houding heeft aangenomen in deze zaak, in het bijzonder wat betreft de opvang van de kinderen in Turkije. De BELGISCHE STAAT besluit dan ook dat mevrouw GHEZZAL geen bewijs voorbrengt van de concrete omstandigheden waaruit de urgentie zou moeten blijken.<br \/>\n17.2. Mevrouw GHEZZAL stelt dat de zaak bij de inleiding weldegelijk spoedeisend was, aangezien de kinderen, bij gebreke aan een geboorteakte, niet bij haar in de gevangenis terecht konden. De procedure tot vaststelling van de moederlijke afstamming in Turkije werd door de Turkse rechtbanken ongegrond verklaard, waardoor de kinderen niet bij mevrouw GHEZZAL in de gevangenis terecht konden.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 14<br \/>\nAangezien de kinderen geen geboorteakte kunnen voorleggen, verbleven zij illegaal in Turkije. Zij hadden geen of beperkte toegang tot basisbehoeften.<br \/>\nBovendien merkt mevrouw GHEZZAL op dat aan haar moeder (m.n. mevrouw Rachma Ayad), die voor de kinderen in Turkije zorgde, op 6 september 2018 een inreisverbod werd betekend, waardoor zij gedurende zestig maanden niet naar Turkije kan reizen.<br \/>\nEen verder verblijf van de kinderen, zonder enige vorm van permanente zorg en opvang was onmogelijk. Mevrouw GHEZZAL argumenteert dat Turkije bezwaarlijk als een \u201cveilig derde land\u201d kan beschouwd worden, waar de kinderen in afwachting van de vrijlating van mevrouw GHEZZAL kunnen verblijven. Turkije is voor de gebrekkige kwaliteit van de opvang van asielzoekers sinds 1991 al meermaals veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, of voor de strijdigheid van de opvang met art. 3 EVRM (zie b.v. EHRM 22 september 2009, Abdolkhani en Karimnia tegen Turkije (zaak nr. 30471\/08); EHRM 15 december 2015, S.A. tegen Turkije (zaak nr. 74535\/10)).<br \/>\nMevrouw GHEZZAL besluit dat, gelet op het recente inreisverbod van haar moeder (m.n. mevrouw Rachma Ayad), er beperkt opvang voor de kinderen was voorzien waardoor de situatie hoogdringend was.<br \/>\nIn antwoord op de vaststelling van de BELGISCHE STAAT dat de vordering pas tien maanden na haar opsluiting in de gevangenis werd ingesteld, stelt mevrouw GHEZZAL dat dit feit te maken heeft met de houding van de Belgische regering. De regering verklaarde immers bereid te zijn om de terugkeer van kinderen van IS-strijders, die jonger dan 10 jaar zijn, mogelijk te maken.<br \/>\n17.3. Er is sprake van hoogdringendheid \u201cwanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen\u201d (Cass. 11 mei 1990, TBH 1990, 774).<br \/>\nDe urgentie raakt zowel de materi\u00eble bevoegdheid van de kortgedingrechter als de grond van de zaak. Wanneer de eisende partij urgentie aanvoert in de gedinginleidende akte, is de kortgedingrechter materieel bevoegd. Het louter beweren dat de vordering urgent is, volstaat om te besluiten tot de materi\u00eble bevoegdheid van de kortgedingrechter (Cass. 11 mei 1990, AR 6524, Arr. Cass. 1989-90, 1169). De effectieve beoordeling van de urgentie gebeurt op het ogenblik van de uitspraak. Indien de kortgedingrechter dan vaststelt dat er geen urgentie is, moet hij de vordering afwijzen als ongegrond<br \/>\n(Cass. 11 mei 1990, AR 7089, Arr. Cass. 1989-90, 1175).<br \/>\nBij de beoordeling van de urgentie wordt rekening gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Onder deze omstandigheden dient o.m. rekening te worden gehouden met de houding van de eiser. Indien de eiser door zijn nalatigheid niet tijdig de vereiste maatregelen heeft getroffen die hem de gelegenheid hadden gegeven zijn rechten behoorlijk te laten gelden, dan kan hij zich achteraf niet meer tot de rechter in kort geding wenden om de toestand bij spoed te herstellen (E. KRINGS, &#8220;Het kort geding naar Belgisch recht&#8221;, TPR 1991, (1059) 1068, nr. 21).<br \/>\nUit het feitenrelaas van mevrouw GHEZZAL blijkt dat zij v\u00f3\u00f3r zij in Turkije gearresteerd werd (op 7 januari 2018), via de Belgische ambassade in Ankara zowel voor haarzelf als voor de twee kinderen om reisdocumenten heeft verzocht om door te kunnen reizen naar Belgi\u00eb.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 15<br \/>\nMevrouw GHEZZAL stelt dat zij eerst de biologische afstamming van de kinderen diende te bewijzen, aangezien de kinderen niet over een geboorteakte beschikken.<br \/>\nMevrouw GHEZZAL wist dus reeds v\u00f3\u00f3r 7 januari 2018 dat zij de biologische afstamming van de kinderen diende te bewijzen.<br \/>\nDe BELGISCHE STAAT heeft zijn medewerking verleend om de biologische afstamming van de kinderen te laten vaststellen.<br \/>\nTussen februari 2018 en mei 2018 verzocht de Belgische Ambassade verschillende malen de Turkse autoriteiten om een DNA-afname bij mevrouw GHEZZAL toe te staan. Dit verzoek werd geweigerd en er werd aan de Ambassade meegedeeld dat een dergelijk onderzoek via rogatoire commissie gevraagd diende te worden. De Ambassade deelde dit mee aan de advocaat van mevrouw GHEZZAL.<br \/>\nOp 14 maart 2018 werd in aanwezigheid van de heer Alain LEROY, ambassadesecretaris te Ankara, van beide kinderen een bloedstaal afgenomen.<br \/>\nDe bloedstalen van de kinderen werden via diplomatieke koffer naar het ULB Erasmus ziekenhuis te Brussel overgebracht.<br \/>\nOm alsnog de moederlijke afstamming te kunnen vaststellen, hebben de ouders van mevrouw GHEZZAL (m.n. de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad) op 8 juni 2018 vrijwillig bloed afgestaan om via DNA-onderzoek te kunnen aantonen dat zij de biologische grootouders zijn van de kinderen.<br \/>\nUit het verslag d.d. 20 juni 2018 van het ULB Erasmus ziekenhuis, centrum genetica, blijkt dat de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad met minimum 99,99 % zekerheid de maternale grootouders zijn van de kinderen.<br \/>\nOp basis van deze gegevens verzocht mevrouw GHEZZAL opnieuw via de Belgische ambassade in Ankara om afgifte van reisdocumenten voor de kinderen.<br \/>\nOp 5 september 2018 werd door de FOD Buitenlandse Zaken een gedetailleerd bericht overgemaakt aan de advocaat van mevrouw GHEZZAL, waarin de opties worden besproken die open staan voor zijn cli\u00ebnte.<br \/>\nDit bericht van 5 september 2018 luidde als volgt:<br \/>\n&#8220;Beste heer Ozdemir,<br \/>\nIk vermoed dat DVZ nog geen dossier opende omdat zij niet louter op basis van een positieve DNA-test kunnen beslissen om reisdocumenten af te leveren aan de kinderen.<br \/>\nWant, puur juridisch-technisch gesproken, bestaan de kinderen eigenlijk nog niet aangezien er geen geboorteakte is.<br \/>\nIk kan u momenteel enkel het volgende aanraden:<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 16<br \/>\nOpdat reisdocumenten kunnen toegekend worden dient (1) de afstamming vastgesteld worden en (2) de nationaliteit.<br \/>\n(1) Normaal gezien wordt de moederlijke afstamming vastgelegd in de geboorteakte, maar die is er niet. Bij afwezigheid van een akte kan de moederlijke afstamming vastgelegd worden via erkenning of via gerechtelijke weg. Erkenning moet gebeuren in de woonplaats van de moeder \u2013 wat niet kan gezien zij ambtshalve afgeschreven is.<br \/>\nBlijft over: de gerechtelijke weg. U kan een procedure opstarten bij de familie rechtbank (artikel 314 en 332 quinquies van het burgerlijk wetboek) om de moederlijke afstamming te bepalen. U kunt hierbij pleiten dat \u2013 gezien de onmogelijkheid om een DNA-test bij de moeder te bekomen \u2013 de rechter de DNA-test van de grootouders in overweging neemt.<br \/>\nIndien de rechter dit volgt en de moederlijke afstamming vastlegt kan een vorm van geboorteattest voor de kinderen opgesteld worden.<br \/>\n(2) De kinderen krijgen dan ook een nationaliteit, maar ook dit is verre van eenvoudig: Aangezien Amina Belgo-Algerijnse is, geboren in het buitenland, zullen de kinderen in eerste instantie waarschijnlijk enkel Algerijns zijn; immers, kinderen geboren in het buitenland uit bipatride ouders die geboren zijn in het buitenland, krijgen enkel onmiddellijk de Belgische nationaliteit als zij dreigen staatsloos te zijn.<br \/>\nBijgevolg moet er nog een procedure voor toekenning van de Belgische nationaliteit doorlopen worden (binnen de 5 jr na hun geboorte).<br \/>\nProblemen bij deze procedure:<br \/>\n&#8211; de moeder moet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente (wat niet het geval is)<br \/>\n&#8211; kan gebeuren op basis van een volmacht, maar de bevoegde instantie om een dergelijke volmacht op te stellen is de gemeente waar zij ingeschreven is &#8230;,<br \/>\nIn dit stadium lijkt mij de enige mogelijkheid dat u, in naam van de grootouders, een gerechtelijke procedure opstart om de moederlijke afstamming vast te stellen. Indien de rechter hierin meegaat kan u op basis van de gerechtelijke uitspraak, bij DVZ een visum aanvragen voor familiehereniging.(&#8230;)&#8221; (stuk 4 bundel van de BELGISCHE STAAT).<br \/>\nOp 5 oktober 2018 heeft mevrouw GHEZZAL een verzoekschrift tot aanstelling van een voogd ad hoc over de kinderen conform art. 331sexies B.W. neergelegd ter griffie van de familierechtbank in de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, om overeenkomstig art. 314 B.W. een vordering in te stellen om de afstamming van moederszijde gerechtelijk te laten vaststellen en dit o.a. door middel van het DNA-verslag van 20 juni 2018 waaruit blijkt dat de ouders van mevrouw GHEZZAL (m.n. de heer Ahmed Ghezzal en mevrouw Rachma Ayad) met minimum 99,99 % zekerheid de grootouders zijn van de kinderen.<br \/>\nBij beschikking van 13 november 2018 werd mr. Sophie Molenaers aangesteld als voogd ad hoc over de kinderen, ten einde deze te vertegenwoordigen in het geding omtrent het moederschap.<br \/>\nOp 20 maart 2019 is mevrouw GHEZZAL overgegaan tot dagvaarding tot vaststelling van het moederschap overeenkomstig art. 314 B.W.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 17<br \/>\nUit deze chronologische uiteenzetting blijkt dat mevrouw GHEZZAL tot 20 maart 2019 \u2013 dus m\u00e9\u00e9r dan vier maanden nadat een voogd ad hoc werd aangesteld en m\u00e9\u00e9r dan zes maanden nadat haar werd bevestigd dat een procedure tot vaststelling van de afstamming diende te worden ingeleid \u2013 heeft gewacht om de procedure tot vaststelling van de afstamming in te leiden. De procedure tot vaststelling van de moederlijke afstamming in Turkije werd door de Turkse rechtbanken reeds ongegrond verklaard op 8 juni 2018, m.a.w. negen maanden v\u00f3\u00f3r de procedure tot vaststelling van de afstamming in Belgi\u00eb werd ingeleid.<br \/>\nNochtans was volgens mevrouw GHEZZAL de situatie hoogdringend, aangezien de kinderen, bij gebreke aan een geboorteakte, niet bij haar in de gevangenis terecht konden. Zij wijst erop dat de procedure tot vaststelling van de moederlijke afstamming in Turkije door de Turkse rechtbanken ongegrond werd verklaard, waardoor de kinderen niet bij haar in de gevangenis terecht konden. Bovendien stelt mevrouw GHEZZAL dat aan haar moeder (m.n. mevrouw Rachma Ayad), die naar Turkije reisde om voor de kinderen te zorgen, op 6 september 2018 een inreisverbod werd betekend waardoor zij gedurende zestig maanden niet naar Turkije kan reizen.<br \/>\nUit het voorgaande volgt dat mevrouw GHEZZAL heeft getalmd om de procedure tot vaststelling van de afstamming van de kinderen in Belgi\u00eb in te leiden. Indien zij deze procedure met bekwame spoed had ingeleid, had zij reeds eerder de vereiste documenten kunnen verkrijgen en was het verzoek tot het bekomen van de door haar gevorderde dringende maatregelen vermeden geweest. Mevrouw GHEZZAL heeft niet tijdig de vereiste maatregelen getroffen die haar de gelegenheid hadden gegeven haar rechten (en die van de kinderen) behoorlijk te laten gelden. Mevrouw GHEZZAL heeft derhalve zelf een situatie van hoogdringendheid gecre\u00eberd.<br \/>\nHet feit dat mevrouw GHEZZAL heeft gewacht om een procedure in te leiden om reden dat de regering had verklaard bereid te zijn om de terugkeer van kinderen van IS-strijders, die jonger dan 10 jaar zijn, mogelijk te maken, rechtvaardigt niet het getalm van mevrouw GHEZZAL. Mevrouw GHEZZAL wist reeds v\u00f3\u00f3r 7 januari 2018 dat voor een terugkeer, c.q. (door)reis, van de kinderen naar Belgi\u00eb vereist was dat de afstamming en de nationaliteit van de kinderen vaststonden. Immers, v\u00f3\u00f3r zij in Turkije gearresteerd werd op 7 januari 2018, had mevrouw GHEZZAL via de Belgische ambassade in Ankara zowel voor haarzelf als voor de twee kinderen om reisdocumenten verzocht om door te kunnen reizen naar Belgi\u00eb.<br \/>\nDerhalve was de voorwaarde van hoogdringendheid voor het voeren van een kort geding procedure, zoals bepaald in artikel 584, eerste lid Ger. W., niet vervuld. zodat de eerste rechter de vordering van mevrouw GHEZZAL diende af te wijzen als ongegrond.<br \/>\nBijgevolg is het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT ontvankelijk en gegrond.<br \/>\nIV. KOSTEN<br \/>\n18. Aangezien mevrouw GHEZZAL de in het ongelijk gestelde partij in de zin van de artikelen 1017 en 1022 Ger. W. is, wordt zij veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen.<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 18<br \/>\n19. De vordering van mevrouw GHEZZAL betreft een niet in geld waardeerbare vordering. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt \u20ac 1.440,00 (ge\u00efndexeerd; art. 3 Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007).<br \/>\nOM DEZE REDENEN,<br \/>\nHET HOF<br \/>\nGelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;<br \/>\nRechtsprekende op tegenspraak;<br \/>\nVerklaart het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT ontvankelijk en gegrond;<br \/>\nHervormt de bestreden beschikking en opnieuw recht doende;<br \/>\nVerklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw Amina GHEZZAL, handelend zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van (beweerde) ouder en beheerder over de persoon en de goederen van de minderjarige kinderen Sirin GHEZZAL en Maria GHEZZAL, tegen de BELGISCHE STAAT, ontvankelijk, doch ongegrond;<br \/>\nVeroordeelt mevrouw Amina GHEZZAL, handelend zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van (beweerde) ouder en beheerder over de persoon en de goederen van de minderjarige kinderen Sirin GHEZZAL en Maria GHEZZAL, tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van de BELGISCHE STAAT begroot op 2 x \u20ac 1.440,00 (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en hoger beroep) + \u20ac 180,00 (rolrecht hoger beroep) en in hoofde van haarzelf niet begroot, daar ze ten hare laste blijven.<br \/>\nDit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 22 mei 2019 door M. BOSMANS Raadsheer dd. voorzitter K. PITEUS Raadsheer L. VAEL Plaatsvervangend raadsheer B. VANDERGUCHT Griffier<br \/>\nHof van beroep Brussel \u2013 p. 19<br \/>\nB. VANDERGUCHT L. VAEL<br \/>\nK. PITEUS M. BOSMANS<\/p>\n","protected":false},"author":16,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[10],"tags":[51,63],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/783"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/16"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=783"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/783\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":785,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/783\/revisions\/785"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=783"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=783"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=783"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}