{"id":533,"date":"2016-05-24T12:40:00","date_gmt":"2016-05-24T12:40:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=533"},"modified":"2021-12-16T08:36:31","modified_gmt":"2021-12-16T08:36:31","slug":"m-e-y-v-o-r-v-f-b-v-politiezone-nr-5340-brussel-west-d-b-et-al","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=533","title":{"rendered":"M.E.Y. v O.R.V. \/ F.B. v Politiezone nr. 5340 Brussel-West, D.B. et al"},"content":{"rendered":"\n<h6><strong>Belgian Supreme Court, M.E.Y. v O.R.V.; F.B. v Politiezone nr. 5340 Brussel-West, D.B. et al, Nr. P.16.0244.N, 24 May 2016<\/strong><\/h6>\n\n\n\n<pre class=\"wp-block-code\"><code>ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.5<\/code><\/pre>\n\n\n\n<p>The case concerns an action for annulment brought against a judgment of the Antwerp Court of Appeals finding the applicants guilty of terrorist offences under the Belgian Criminal Code in connection with their involvement in islamist terrorist groups abroad. In particular, the applicants unsuccesfully raise breaches of Article 3 of the Geneva Conventions, Article 141bis of the Belgian Criminal Code, Article 7 ECHR and the principle of legality. All claims are, however, dismissed by the Supreme Court.<br><br>Pursuant to Article 141bis of the Criminal Code, the provisions pertaining to terrorist offences do not apply to the conduct of armed forces during an armed conflict. Such \u2018armed conflict\u2019 exists whenever when there is armed violence between States or protracted armed violence between State authorities and organized armed groups or between such groups within a State. The existence of a non-international armed conflict is determined primarily in light of the intensity of the conflict and the degree of organization of the parties involved. Other criteria cited by international jurisprudence are merely indicative criteria that can be used to interpret the requirements of intensity and organization. The appraisal of these criteria in a given case is a matter for the judge of the merits, and is not subject to review by the Supreme Court (as long as proper statement of reasons is provided).<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2021\/12\/id_cpoyrsxa.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/1 <\/p>\n<p>Hof van Cassatie van Belgi\u00eb <\/p>\n<p>Arrest <\/p>\n<p>Nr. P.16.0244.N<br \/>\nI-II <\/p>\n<p>MEY, <\/p>\n<p>beklaagde, aangehouden, <\/p>\n<p>eiser, <\/p>\n<p>met als raadsman mr. Dimitri de B\u00e9co, advocaat bij de balie te Brussel, <\/p>\n<p>tegen <\/p>\n<p>ORV, <\/p>\n<p>burgerlijke partij, <\/p>\n<p>verweerster.<br \/>\nIII <\/p>\n<p>FB, <\/p>\n<p>beklaagde, aangehouden, <\/p>\n<p>eiser, <\/p>\n<p>met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie te Antwerpen, <\/p>\n<p>tegen <\/p>\n<p>1. POLITIEZONE NR. 5340 BRUSSEL-WEST, vertegenwoordigd door haar<br \/>\nPolitiecollege, 1080 Brussel, Briefdragerstraat 2, <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/2 <\/p>\n<p>burgerlijke partij, <\/p>\n<p>2. D B,<br \/>\nburgerlijke partij,<br \/>\n3. O R V, reeds vermeld,<br \/>\nburgerlijke partij,<br \/>\n4. J B,<br \/>\nburgerlijke partij,<br \/>\nverweerders. <\/p>\n<p>I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF<br \/>\nDe cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen,<br \/>\ncorrectionele kamer, van 27 januari 2016.<br \/>\nDe eiser I-II voert geen middel aan.<br \/>\nDe eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.<br \/>\nRaadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.<br \/>\nProcureur-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. <\/p>\n<p>II. BESLISSING VAN HET HOF<br \/>\nBeoordeling <\/p>\n<p>Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen <\/p>\n<p>1. Krachtens artikel 425, \u00a7 1, Wetboek van Strafvordering wordt de verklaring<br \/>\nvan cassatieberoep gedaan door het openbaar ministerie of de advocaat die houder<br \/>\nis van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, op de griffie van<br \/>\nhet gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen.<br \/>\n2. De verklaring betreffende het cassatieberoep I werd niet gedaan door een<br \/>\nadvocaat. <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/3 <\/p>\n<p>3. Krachtens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede<br \/>\nmaal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen<br \/>\nwaarin de wet voorziet.<br \/>\nHet cassatieberoep II is ingesteld na het cassatieberoep I. <\/p>\n<p>4. De cassatieberoepen I en II zijn niet ontvankelijk.<br \/>\n5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep<br \/>\nIII aan de verweerders is betekend.<br \/>\nIn zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen, is dat<br \/>\ncassatieberoep evenmin ontvankelijk. <\/p>\n<p>Eerste middel <\/p>\n<p>6. Het middel voert schending aan van artikel 3 van de Verdragen van Gen\u00e8ve<br \/>\nvan 12 augustus 1949 en artikel 141bis Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser<br \/>\nals leidend persoon van een terroristische groep (telastlegging A) en oordeelt<br \/>\ndat geen toepassing kan worden gemaakt van de uitsluitingsgrond van artikel<br \/>\n141bis Strafwetboek en artikel 3 van de Verdragen van Gen\u00e8ve aangezien de door<br \/>\nMSAM en J al N gepleegde feiten niet kunnen worden beschouwd als handelingen<br \/>\nvan strijdkrachten of georganiseerde gewapende groepen tijdens een gewapend<br \/>\nconflict in de zin van het internationaal humanitair recht; het feit dat deze<br \/>\norganisaties inbreuken plegen op het internationaal humanitair recht betekent niet<br \/>\ndat dit recht niet van toepassing is en er dus geen sprake is van een intern gewapend<br \/>\nconflict; dat men niet openlijk wapens draagt, niet als strijdkracht herkenbaar<br \/>\nis of geen uniform draagt, bepaalt niet of men als strijdkracht kan worden beschouwd<br \/>\nonder het internationaal humanitair recht; het arrest steunt de beslissing<br \/>\neveneens op het irrelevante criterium dat er een identificeerbaar bevel moet zijn<br \/>\ndat daadwerkelijk ter verantwoording kan worden geroepen; zoals blijkt uit de criteria<br \/>\ngehanteerd in het Tad\u00edc-arrest van het Joegoslavi\u00eb-tribunaal moet minstens<br \/>\n\u00e9\u00e9n van de partijen bij een niet-internationaal gewapend conflict een georganiseerde<br \/>\ngewapende groep zijn, waarbij de beoordeling van het niveau van organisatie<br \/>\nniet gekoppeld is aan strikte criteria, maar wel aan een aantal indicatieve criteria;<br \/>\neen flexibele beoordeling van het niveau van organisatie is vereist; het arrest<br \/>\nhoudt geen rekening met de internationaal aanvaarde \u2018flexibele beoordeling op <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/4 <\/p>\n<p>basis van niet-limitatieve criteria\u2019 die steun vindt in de voorbereidende werken<br \/>\nvan de Verdragen van Gen\u00e8ve, de rechtspraak van internationale rechtscolleges en<br \/>\nde rechtsleer; tijdens de incriminatieperiode vond een niet-internationaal gewapend<br \/>\nconflict met een minimumintensiteit plaats in Syri\u00eb waarbij MSAM en Ja<br \/>\nN een minimum aan organisatie bezaten; dat beide groepen als terroristisch worden<br \/>\ngekwalificeerd of terroristische daden zouden plegen, verhindert deze vaststelling<br \/>\nniet. <\/p>\n<p>7. Artikel 141bis Strafwetboek bepaalt: \u201c[Titel Iter Terroristische misdrijven]<br \/>\nis niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend<br \/>\nconflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair<br \/>\nrecht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader<br \/>\nvan de uitoefening van hun offici\u00eble taken, voor zover die handelingen onderworpen<br \/>\nzijn aan andere bepalingen van internationaal recht.\u201d<br \/>\n8. Er is een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht<br \/>\nwanneer er sprake is van gewapend geweld tussen staten of aanhoudend gewapend<br \/>\ngeweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of<br \/>\ntussen dergelijke groepen onderling binnen een staat.<br \/>\nOf er sprake is van aanhoudend gewapend geweld waarbij georganiseerde gewapende<br \/>\ngroepen zijn betrokken, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de<br \/>\nintensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen.<br \/>\nAndere door de internationale rechtspraak aangehaalde criteria zijn slechts indicatieve<br \/>\ncriteria die kunnen worden gebruikt voor de invulling van de vereisten van<br \/>\nde intensiteit van het conflict en de organisatie van de betrokken partijen. <\/p>\n<p>9. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bepaalde gedragingen als handelingen<br \/>\nvan strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de hier bedoelde zin<br \/>\nmoeten worden beschouwd.<br \/>\nIn zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van feiten door<br \/>\nhet arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid<br \/>\nheeft, is het niet ontvankelijk. <\/p>\n<p>10. Het arrest oordeelt: \u201cAnalyse van de internationale rechtspraak, o.m. deze<br \/>\nvan het Joegoslavi\u00eb-tribunaal (o.m. de zaken Tadic, Haradinaj) leert dat verschillende<br \/>\nniet-cumulatieve factoren een aanwijzing kunnen geven voor het bestaan <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/5 <\/p>\n<p>van een gewapend conflict, zoals het aantal confrontaties tussen partijen, de duur<br \/>\nen de intensiteit van de gevechtshandelingen en de organisatiegraad van een gewapende<br \/>\ngroep. Desbetreffend is de aanwezigheid van een verantwoordelijke<br \/>\ncommandostructuur met disciplinaire maatregelen en procedures veelzeggend,<br \/>\nnet als het bestaan van een hoofdkwartier, de controle over grondgebied en het<br \/>\nbezit van wapens en materiaal. Ook van belang is de mogelijkheid om militaire<br \/>\nacties te plannen en uit te voeren, een bestand af te sluiten en te spreken \u2018door \u00e9\u00e9n<br \/>\nmond\u2019.\u201d <\/p>\n<p>11. Het oordeelt bovendien, eensdeels, dat tijdens de incriminatieperiode in<br \/>\nBelgi\u00eb op geen enkel ogenblik een gewapend conflict heeft bestaan en artikel<br \/>\n141bis Strafwetboek dus niet kan worden ingeroepen voor de handelingen die leden<br \/>\nvan Sharia4Belgium in Belgi\u00eb hebben gesteld en, anderdeels, dat de door de<br \/>\ngroepen MSAM en JaN in Syri\u00eb gepleegde feiten niet kunnen worden beschouwd<br \/>\nals handelingen van strijdkrachten of georganiseerde gewapende groepen<br \/>\ntijdens een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair<br \/>\nrecht, onder meer omdat:<br \/>\n-\u201c[die groepen, behorend] tot het internationaal terroristisch netwerk van Al<br \/>\nQaeda, een sektarische gewelddadige strijd voeren tegen de Sjiieten, ongelovigen,<br \/>\ndemocratische waarden, mensenrechten en humanitair recht\u201d; <\/p>\n<p>-\u201c[M S A M] niet over de vereiste organisatiegraad [beschikt]. Er is weinig<br \/>\nstructuur aanwezig en de groep is niet in staat om grondgebied te controleren,<br \/>\neen militaire strategie uit te dokteren en zware militaire acties op te zetten. Deze<br \/>\ngroep hield zich lokaal voornamelijk bezig met plunderingen, banditisme,<br \/>\nwillekeurige vrijheidsberoving en executies. Deze zogenaamde missies werden<br \/>\nvooraf weinig of niet concreet voorbereid\u201d; <\/p>\n<p>-JaN een grote groep van gewapende rebellen betreft die een wereldwijde Islamitische<br \/>\nstaat nastreven, deze groep \u2018statements\u2019 post op jihadistische forums,<br \/>\nde identiteit van de leider onbekend is, er geen verantwoord commando<br \/>\nactief is en er geen disciplinaire gedragsregels kunnen worden afgedwongen<br \/>\nom de noodzakelijke en fundamentele verplichtingen van het internationaal<br \/>\nhumanitair recht na te leven; <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/6 <\/p>\n<p>-\u201cDe door M S A M en J a N gevoerde strijd betreft een gewelddadige gewapende<br \/>\nstrijd tegen alle ongelovigen, tegen democratie, mensenrechten en humanitair<br \/>\nrecht. Niettegenstaande hun groeiende aanhang en hun pogingen om<br \/>\nzich meer te organiseren blijven voormelde organisaties, met niet identificeerbare<br \/>\nleiding, in hoofdzaak een clandestien netwerk vormen van diverse cellen<br \/>\nactief in verschillende regio\u2019s, met een beperkt overleg en niveau van organisatie\u201d; <\/p>\n<p>-\u201cHet gegeven dat M S A M en J al N voldoende gestructureerd en georganiseerd<br \/>\nzijn om een terroristische organisatie uit te maken (\u2026) belet niet dat<br \/>\nwordt gesteld dat deze organisaties geen georganiseerde gewapende groepen<br \/>\nuitmaken, zoals bepaald in het internationaal humanitair recht\u201d. <\/p>\n<p>Aldus steunt het arrest het oordeel over de toepasselijkheid van artikel 141bis<br \/>\nStrafwetboek op het aan de eiser ten laste gelegde misdrijf niet op irrelevante criteria,<br \/>\nmaar verantwoordt het de beslissing naar recht. <\/p>\n<p>In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. <\/p>\n<p>Tweede middel <\/p>\n<p>12. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, alsmede miskenning<br \/>\nvan het legaliteitsbeginsel: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging<br \/>\nleidend persoon te zijn geweest van een terroristische groep met het oogmerk<br \/>\nom terroristische misdrijven te plegen, namelijk het aanzetten tot of publiekelijk<br \/>\nuitlokken van het plegen van terroristische misdrijven (artikel 140bis Strafwetboek),<br \/>\nhet werven of aansporen tot het plegen van terroristische misdrijven (artikel<br \/>\n140ter Strafwetboek) en het geven van onderrichtingen, opleiding of instructies<br \/>\nvoor de vervaardiging of het gebruik van wapens of stoffen of voor andere<br \/>\nspecifieke methoden en technieken met het oog op het plegen van terroristische<br \/>\nmisdrijven (artikel 140quater Strafwetboek); deze terroristische misdrijven waren<br \/>\ntijdens de incriminatieperiode tussen 2 maart 2010 en 16 april 2013, behoudens de<br \/>\nkorte periode van 14 maart 2013 tot 15 april 2013, niet strafbaar in Belgi\u00eb; bijgevolg<br \/>\nwaren er voor deze periode geen terroristische misdrijven voorhanden zoals<br \/>\nvereist door artikel 139 Strafwetboek, zodat het constitutief bestanddeel \u201cterroris<\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/7 <\/p>\n<p>tische groep\u201d van het misdrijf \u201cleider zijn van een terroristische groep\u201d niet vervuld<br \/>\nis in de periode van 2 maart 2010 tot 14 maart 2013. <\/p>\n<p>13. Het arrest veroordeelt de eiser III wegens het misdrijf leidend persoon te<br \/>\nzijn geweest van een terroristische groep en oordeelt:<br \/>\n\u201cSharia4Belgium betreft van bij het begin een gestructureerde vereniging die<br \/>\nheeft gehandeld met als objectief het plegen van terroristische misdrijven. Daarbij<br \/>\ndient te worden beklemtoond dat de conspiratie of het koesteren van plannen voldoende<br \/>\nis, en het derhalve niet is vereist dat er zich reeds een voornemen om een<br \/>\nmisdaad of een wanbedrijf te plegen heeft geopenbaard.\u201d <\/p>\n<p>In casu beoogde Sharia4Belgium, [de eiser III] en de leden die tot de harde kern<br \/>\nbehoorden welbewust om: <\/p>\n<p>-jongeren aan te trekken; <\/p>\n<p>-deze via een intensieve training te indoctrineren met het Jihadistisch salafistisch<br \/>\ngedachtengoed; <\/p>\n<p>-deze voor te bereiden op hun vertrek naar Syri\u00eb, waar ze aansluiting vonden<br \/>\nbij de gewapende geloofstrijders M S A M of J al N met het oog op het plegen<br \/>\nvan terroristische misdrijven, met name moord, doodslag, het toebrengen van<br \/>\nopzettelijke slagen en verwondingen en het aanrichten van grootschalige vernielingen<br \/>\nen beschadigingen, zoals opgesomd in artikel 137 \u00a7 2, 1\u00b0 en 4\u00b0 van<br \/>\nhet Strafwetboek.\u201d <\/p>\n<p>Aldus oordeelt het arrest niet dat de terroristische misdrijven die het oogmerk waren<br \/>\nvan de terroristische groep, bestonden uit de misdrijven bepaald in de artikelen<br \/>\n140bis, 140ter en 140quater Strafwetboek. <\/p>\n<p>Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke<br \/>\ngrondslag. <\/p>\n<p>Derde middel <\/p>\n<p>14. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, alsmede miskenning<br \/>\nvan het legaliteitsbeginsel: het arrest veroordeelt de eiser wegens de in artikel 137<br \/>\nStrafwetboek bedoelde terroristische misdrijven vernieling (telastlegging B) en <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/8 <\/p>\n<p>weerspannigheid (telastlegging G) en motiveert zijn schuld door te stellen dat hij<br \/>\naanstoker was van deze feiten; het aanzetten tot of publiekelijk uitlokken van het<br \/>\nplegen van terroristische misdrijven, het werven of aansporen tot het plegen van<br \/>\nterroristische misdrijven en het geven van onderrichtingen, opleiding of instructies<br \/>\nvoor de vervaardiging of het gebruik van wapens of stoffen of voor andere specifieke<br \/>\nmethoden en technieken met het oog op het plegen van terroristische misdrijven<br \/>\nwas op de datum van die feiten, dit is 31 mei 2012, niet strafbaar. <\/p>\n<p>15. Met de telastleggingen B en G veroordeelt het arrest de eiser niet wegens<br \/>\nterroristische misdrijven in de zin van artikel 137 Strafwetboek.<br \/>\nHet middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke<br \/>\ngrondslag. <\/p>\n<p>Vierde middel <\/p>\n<p>Eerste onderdeel <\/p>\n<p>16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, alsmede miskenning<br \/>\nvan het legaliteitsbeginsel: het arrest oordeelt dat het aanzetten tot of publiekelijk<br \/>\nuitlokken van het plegen van terroristische misdrijven, het werven of aansporen<br \/>\ntot het plegen van terroristische misdrijven en het geven van onderrichtingen,<br \/>\nopleiding of instructies voor de vervaardiging of het gebruik van wapens of<br \/>\nstoffen of voor andere specifieke methoden en technieken met het oog op het plegen<br \/>\nvan terroristische misdrijven, gesteld buiten deelname aan een terroristische<br \/>\ngroep, ook v\u00f3\u00f3r 14 maart 2013, datum van inwerkingtreding van de wet van 18<br \/>\nfebruari 2013 tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek, strafbaar<br \/>\nkunnen worden gesteld; de genoemde terroristische misdrijven waren tijdens de<br \/>\nweerhouden incriminatieperiode, namelijk tussen 2 maart 2010 en 16 april 2013,<br \/>\nbehoudens de korte periode van 14 maart 2013 tot 15 april 2013, niet strafbaar in<br \/>\nBelgi\u00eb; door anders te oordelen, interpreteren de appelrechters artikel 137 Strafwetboek<br \/>\nop extensieve wijze; extensieve interpretatie is slechts toegelaten wanneer<br \/>\nde wil van de wetgever om feiten van die aard strafbaar te stellen ondubbelzinnig<br \/>\nvaststaat en de feiten in de wettelijke omschrijving van de inbreuk kunnen<br \/>\nworden begrepen; uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat deze feiten al <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/9 <\/p>\n<p>strafbaar waren op grond van artikel 140 Strafwetboek als deelname aan een terroristische<br \/>\ngroep en dat bijzondere bepalingen dienden te worden toegevoegd teneinde<br \/>\nopenbare aanzetting, opleiding en rekrutering die plaatsvinden buiten de<br \/>\ndeelname aan een terroristische groep strafbaar te stellen; de door de appelrechters<br \/>\ngehanteerde extensieve interpretatie is niet toegestaan. <\/p>\n<p>17. Noch met de redenen die het onderdeel aanhaalt, noch met andere redenen<br \/>\noordeelt het arrest dat de misdrijven bepaald in de artikelen 140bis, 140ter en<br \/>\n140quater Strafwetboek, gesteld buiten deelname aan een terroristische groep,<br \/>\nook v\u00f3\u00f3r 14 maart 2013 strafbaar kunnen worden gesteld.<br \/>\nHet onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke<br \/>\ngrondslag. <\/p>\n<p>Tweede onderdeel <\/p>\n<p>18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek, alsmede miskenning<br \/>\nvan het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet: het arrest stelt<br \/>\ndat het aanzetten tot of publiekelijk uitlokken van het plegen van terroristische<br \/>\nmisdrijven, het werven of aansporen tot het plegen van terroristische misdrijven<br \/>\nen het geven van onderrichtingen, opleiding of instructies voor de vervaardiging<br \/>\nof het gebruik van wapens of stoffen of voor andere specifieke methoden en technieken<br \/>\nmet het oog op het plegen van terroristische misdrijven, gesteld buiten<br \/>\ndeelname aan een terroristische groep, ook v\u00f3\u00f3r 14 maart 2013, datum van inwerkingtreding<br \/>\nvan de wet van 18 februari 2013 tot wijziging van boek II, titel Iter<br \/>\nvan het Strafwetboek, strafbaar kunnen worden gesteld; de appelrechters passen<br \/>\naldus de wet van 18 februari 2013 toe op feiten gepleegd v\u00f3\u00f3r de inwerkintreding<br \/>\nvan deze wet; de wet van 18 februari 2013 is een strengere strafwet dan deze die<br \/>\nv\u00f3\u00f3r zijn inwerkingtreding van toepassing was; de retroactieve toepassing van een<br \/>\nstrengere strafwet is niet toegestaan.<br \/>\n19. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs<br \/>\naangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/10 <\/p>\n<p>Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering <\/p>\n<p>20. De substanti\u00eble of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen<br \/>\nzijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.<br \/>\nDictum <\/p>\n<p>Het Hof, <\/p>\n<p>Verwerpt de cassatieberoepen. <\/p>\n<p>Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. <\/p>\n<p>Bepaalt de kosten in het geheel op 372,41 euro waarvan op het cassatieberoep I-II<br \/>\n208,75 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep III 163,66 euro. <\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,<br \/>\nsamengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de<br \/>\nraadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de<br \/>\nopenbare rechtszitting van 24 mei 2016 uitgesproken door waarnemend voorzitter<br \/>\nFilip Van Volsem, in aanwezigheid van procureur-generaal Patrick Duinslaeger,<br \/>\nmet bijstand van griffier Frank Adriaensen. <\/p>\n<p>24 MEI 2016 P.16.0244.N\/11 <\/p>\n<p>F. Adriaensen E. Francis A. Lievens<br \/>\nP. Hoet A. Bloch F. Van Volsem <\/p>\n<p>VERZOEKSCHRIFT\/1 <\/p>\n<p>Verzoekschrift <\/p>\n","protected":false},"author":6,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[7],"tags":[55,57,56,59,58,39],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/533"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/6"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=533"}],"version-history":[{"count":8,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/533\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":628,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/533\/revisions\/628"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=533"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=533"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=533"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}