{"id":42,"date":"2005-05-03T00:00:00","date_gmt":"2005-05-03T12:43:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=42"},"modified":"2021-12-16T08:46:18","modified_gmt":"2021-12-16T08:46:18","slug":"b-a-r-belgium-nv-sabena-and-deutsche-lufthansa-ag-v-municipality-of-zaventem","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=42","title":{"rendered":"B.A.R. Belgium, NV Sabena and Deutsche Lufthansa AG v Municipality of Zaventem"},"content":{"rendered":"\n<h6>Council of State, B.A.R. Belgium, NV Sabena and Deutsche Lufthansa AG v Municipality of Zaventem; Belgian State v Municipality of Zaventem. Judgment Nr. 144.081, 3 May 2005<\/h6>\n\n\n\n<p>Article 15 of the 1944 Chicago Convention on Civil Aviation &#8211; which was duly ratified by Belgium and published in the Official Gazette &#8211; stipulates that &#8216;[n]o fees, dues or other charges shall be imposed by any contracting State in respect solely of the right of transit over or entry into or exit from its territory of any aircraft of a contracting State or persons or property thereon&#8217;. According to the Council of State, it is clear from the language and intention of the States Parties that this provision is self-executing. Accordingly, the applicants can succesfully invoke the provision to annull a decree of the municipality of Zaventem introducing a tax on airlines flying to and from Brussels international airport.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2021\/12\/id_nqimbfdk.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Universiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-1\/18<br \/>\nRAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.<br \/>\nA R R E S T<br \/>\nnr. 144.081 van 3 mei 2005<br \/>\nin de zaken A. 69.837\/XII-2441. (I)<br \/>\nA. 69.876\/XII-2442. (II)<br \/>\nA. 74.820\/XII-755. (III)<br \/>\nA. 74.821\/XII-754. (IV)<br \/>\nA. 76.712\/XII-795. (V)<br \/>\nIn zake : I, IV en V<br \/>\n1. B.A.R. BELGIUM,<br \/>\n2. de NV SABENA, thans advocaten C. VAN BUGGENHOUT,<br \/>\nI. VAN DE MIEROP, A. D\u2019IETEREN en J. BAYART,<br \/>\nin hun hoedanigheid van curator in het faillissement van de<br \/>\nNV Sabena,<br \/>\n3. DEUTSCHE LUFTHANSA AG,<br \/>\ndie woonplaats kiezen bij<br \/>\nadvocaat C. Erkelens,<br \/>\nkantoor houdende te Brussel,<br \/>\nWetstraat 15<br \/>\nII en III<br \/>\nde BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van<br \/>\nMobiliteit,<br \/>\ndie woonplaats kiest bij<br \/>\nadvocaat P. Peeters,<br \/>\nkantoor houdende te Brussel,<br \/>\nBrederodestraat 13<br \/>\ntegen :<br \/>\nde GEMEENTE ZAVENTEM,<br \/>\ndie woonplaats kiest bij<br \/>\nadvocaat P. Wouters,<br \/>\nkantoor houdende te Brussel,<br \/>\nTenbosstraat 32.<br \/>\ntussenkomende partij :<br \/>\nin I en II<br \/>\nde NV BRUSSELS INTERNATIONAL AIR COMPANY,<br \/>\ndie woonplaats kiest bij<br \/>\nadvocaat V. Van Houtte,<br \/>\nkantoor houdende te Brussel,<br \/>\nH. Wafelaertsstraat 47-51, bus 1.<br \/>\n&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;<br \/>\nD E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R,<br \/>\nGezien het verzoekschrift dat B.A.R.-Belgium, NV Sabena -thans<br \/>\nin staat van faillissement- en Deutsche Lufthansa AG op 12 juli 1996 hebben<br \/>\ningediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 december 1995<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-2\/18<br \/>\nvan de gemeenteraad van Zaventem tot heffing, voor de dienstjaren 1996 tot 2000,<br \/>\nvan een jaarlijkse directe belasting op de uitbating van vliegtuigen op het grondgebied<br \/>\nvan de gemeente, evenals van de beslissing van 25 maart 1996 van dezelfde<br \/>\ngemeenteraad tot handhaving van de gemeenteraadsbeslissing van 18 december 1995<br \/>\n(A.69.837\/XII-2441);<br \/>\nGezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat op 15 juli 1996<br \/>\nheeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 december<br \/>\n1995 van de gemeenteraad van Zaventem tot heffing, voor de dienstjaren 1996 tot<br \/>\n2000, van een jaarlijkse directe belasting op de uitbating van vliegtuigen op het<br \/>\ngrondgebied van de gemeente (A.69.876\/XII-2442);<br \/>\nGezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat op 27 juni 1997<br \/>\nheeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 maart<br \/>\n1997 van de gemeenteraad van Zaventem tot heffing, voor de dienstjaren 1997 tot<br \/>\nen met 2000, van een jaarlijkse directe belasting op de uitbating van vliegtuigen op<br \/>\nhet grondgebied van de gemeente (A.74.820\/XII-755);<br \/>\nGezien het verzoekschrift dat B.A.R.-Belgium, NV Sabena -thans<br \/>\nin staat van faillissement- en Deutsche Lufthansa AG op 27 juni 1997 hebben<br \/>\ningediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 maart 1997<br \/>\nvan de gemeenteraad van Zaventem tot heffing, voor de dienstjaren 1997 tot en met<br \/>\n2000, van een jaarlijkse directe belasting op de uitbating van vliegtuigen op het<br \/>\ngrondgebied van de gemeente (A.74.821\/XII-754);<br \/>\nGezien het verzoekschrift dat B.A.R.-Belgium, NV Sabena -thans<br \/>\nin staat van faillissement- en Deutsche Lufthansa AG op 11 december 1997 hebben<br \/>\ningediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 30 juni 1997 van<br \/>\nde gemeenteraad van Zaventem, \u201cwaarbij [hij] de tekst van de verordening van<br \/>\ndirecte belasting op de uitbating van vliegtuigen co\u00f6rdineert, en dit in zoverre deze<br \/>\nco\u00f6rdinatie een novatoir karakter zou hebben\u201d (A.76.712\/XII-795);<br \/>\nGezien de verzoekschriften tot tussenkomst van de NV Brussels<br \/>\nAirport Terminal Company, thans de NV Brussels International Air Company in de<br \/>\nzaken A. 69.837\/XII-2441 en 69.876\/XII-2442;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-3\/18<br \/>\nGelet op de beschikkingen van 3 maart 1997 die de tussenkomsten<br \/>\nvan de NV Brussels Airport Terminal Company, thans de NV Brussels International<br \/>\nAir Company in de zaken A. 69.837\/XII-2441 en 69.876\/XII-2442 toelaat;<br \/>\nGezien de memories van antwoord en van wederantwoord;<br \/>\nGezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere;<br \/>\nGelet op de beschikking van 21 februari 2000 tot voeging van de<br \/>\nzaken;<br \/>\nGelet op de beschikking van 21 februari 2000 die de neerlegging<br \/>\nter griffie van het verslag en van de dossiers gelast;<br \/>\nGelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de<br \/>\nlaatste memories;<br \/>\nGelet op de verklaring tot hervatting van het rechtsgeding van<br \/>\n4 oktober 2004 van advocaat C. Van Buggenhout, advocaat I. Van De Mierop,<br \/>\nadvocaat A. D\u2019Ieteren en advocaat J. Bayart, in hun hoedanigheid van curator in het<br \/>\nfaillissement van de NV Sabena;<br \/>\nGelet op de beschikking van 21 juni 2004 waarbij de terechtzitting<br \/>\nbepaald wordt op 5 oktober 2004;<br \/>\nGehoord het verslag van staatsraad J. Lust;<br \/>\nGehoord de opmerkingen van advocaten C. Erkelens en<br \/>\nM. Martens, die verschijnen voor B.A.R. Belgium, de curatoren in het faillissement<br \/>\nvan de NV Sabena en Deutsche Lufthansa AG en van advocaat P. Peeters, die<br \/>\nverschijnt voor de Belgische Staat, van advocaat P. Wouters, die verschijnt voor de<br \/>\nverwerende partij, en van advocaat J. Bouckaert, die verschijnt voor de<br \/>\ntussenkomende partij;<br \/>\nGehoord het, behalve in de zaak A. 76.712\/XII-795, eensluidend<br \/>\nadvies van auditeur P. De Somere;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-4\/18<br \/>\nGelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van<br \/>\nState, geco\u00f6rdineerd op 12 januari 1973;<br \/>\nA. De voorgaanden<br \/>\n1. Overwegende dat de gemeenteraad van Zaventem op 18 december<br \/>\n1995 voor de dienstjaren 1996 tot 2000 een jaarlijkse directe belasting heft op de<br \/>\nuitbating van vliegtuigen op het grondgebied van de gemeente; dat de belasting wordt<br \/>\nopgelegd aan de uitbaters van vliegtuigen, daarmee bedoeld zijnde \u201calle natuurlijke<br \/>\nof rechtspersonen, met of zonder winstoogmerk die, als eigenaars of houders ten<br \/>\nwelken titel dan ook, een burgerlijk vliegtuig ter beschikking hebben dat zij, onder<br \/>\nhun verantwoordelijkheid, regelmatig laten deelnemen aan het luchtverkeer, vanuit<br \/>\nen\/of naar het grondgebied van de gemeente\u201d; dat voor elke belastingplichtige \u201cals<br \/>\nindicie van de belastbare uitbating\u201d in aanmerking wordt genomen het globaal aantal<br \/>\npassagiers dat tijdens het jaar dat het dienstjaar voorafgaat, vertrekt vanuit de<br \/>\nluchthaven die op het grondgebied van de gemeente is gelegen; dat het jaarlijks<br \/>\nbedrag van de belasting wordt berekend a rato van 12 frank per vertrekkende<br \/>\npassagier;<br \/>\nOverwegende dat de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant<br \/>\nde uitvoering van de gemeenteraadsbeslissing bij besluit van 4 maart 1996 schorst;<br \/>\ndat wordt gemotiveerd dat de verordening in tegenspraak is met artikel 5, \u00a7 1, van<br \/>\nde wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919<br \/>\nbetreffende de regeling der luchtvaart en met artikel 15, laatste lid, van het Verdrag<br \/>\nvan Chicago van 7 december 1944 betreffende de Internationale Burgerlijke<br \/>\nLuchtvaart; dat de gemeenteraad de geschorste verordening op 25 maart 1996<br \/>\nhandhaaft; dat op 24 mei 1996 de Vlaamse minister van Binnenlandse<br \/>\nAangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting aan de verwerende partij meedeelt<br \/>\ndat hij tot het besluit is gekomen \u201cdat de elementen die hebben geleid tot de<br \/>\nschorsing verschillend ge\u00efnterpreteerd worden\u201d en dat een vernietiging van de<br \/>\ngemeenteraadsbeslissing niet verantwoord zou zijn;<br \/>\nOverwegende dat de gemeenteraad op 24 maart 1997 besluit,<br \/>\neensdeels, de gemeenteraadsbeslissing van 25 maart 1996 op te heffen en, anderdeels,<br \/>\nvoor de dienstjaren 1997 tot en met 2000 een jaarlijkse directe belasting te heffen op<br \/>\nde uitbating van vliegtuigen op het grondgebied van de gemeente; dat wordt<br \/>\nverduidelijkt dat het besluit alleen er toe strekt de eerdere belasting op de uitbating<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-5\/18<br \/>\nvan vliegtuigen in overeenstemming te brengen met de wet van 24 december 1996<br \/>\nbetreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen;<br \/>\ndat op 30 juni 1997 de gemeenteraad zijn besluit van 24 maart 1997 wijzigt wat de<br \/>\nartikelen 8 en 10, in verband met de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag,<br \/>\nbetreft; dat bij het wijzigingsbesluit een geco\u00f6rdineerde tekst van de belasting op de<br \/>\nuitbating van vliegtuigen wordt gevoegd;<br \/>\nOverwegende dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg<br \/>\nte Brussel, zetelend in kort geding, op 24 september 1997 aan de verwerende partij<br \/>\nverbiedt de belasting op de uitbating van vliegtuigen voor de dienstjaren 1996 en<br \/>\n1997 in te kohieren, de inkohiering uitvoerbaar te verklaren of de aanslagbiljetten te<br \/>\nverzenden; dat het hof van beroep te Brussel bij arrest van 30 juni 1998 het beroep<br \/>\nvan de verwerende partij ongegrond verklaart en haar ook voor het dienstjaar 1998<br \/>\nverbiedt de belasting in te kohieren, de inkohiering uitvoerbaar te verklaren of de<br \/>\naanslagbiljetten te verzenden; dat het Hof van Cassatie de voorziening tegen het<br \/>\narrest op 5 mei 2000 verwerpt;<br \/>\nB. De beroepen met nrs. A.69.837 en A.69.876<br \/>\n2. Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 25 maart 1996,<br \/>\ndie in het beroep met nr. A.69.837 mee bestreden wordt, er in essentie toe beperkt<br \/>\nis ten opzichte van de toezichthoudende overheid \u201cna grondige juridische studie\u201d de<br \/>\nargumenten te doen gelden die pleiten voor de instandhouding van de<br \/>\ngemeenteraadsbeslissing van 18 december 1995, welke beslissing in het kader van het<br \/>\nalgemeen toezicht door de gouverneur geschorst is; dat als zodanig de beslissing van<br \/>\n25 maart 1996 geen eigen rechtsgevolgen teweegbrengt; dat ambtshalve wordt<br \/>\nvastgesteld dat zij niet voor vernietiging in aanmerking komt; dat het beroep<br \/>\nnr. A. 69.876 wat die beslissing aangaat niet ontvankelijk is en hierna nog alleen<br \/>\nonderzocht wordt wat de gemeenteraadsbeslissing van 18 december 1995 betreft;<br \/>\n3.1.1. Overwegende dat verzoekende partijen in hun respectieve eerste<br \/>\nmiddel de schending aanvoeren van artikel 15 van het Verdrag van Chicago van<br \/>\n7 december 1944 betreffende de Internationale Burgerlijke Luchtvaart, goedgekeurd<br \/>\nbij wet van 30 april 1947; dat wordt toegelicht dat het laatste lid van artikel 15<br \/>\nbepaalt dat geen tarieven, rechten of andere kosten door een verdragsluitende staat<br \/>\nmogen worden opgelegd voor het enkele recht van het vliegen over, het<br \/>\nbinnenvliegen in of het vertrek uit zijn grondgebied door een luchtvaartuig van een<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-6\/18<br \/>\nverdragsluitende staat of van personen of eigendommen daarin, dat die bepaling<br \/>\nruimer is dan een louter discriminatieverbod, dat zij volledig en duidelijk uitgedrukt<br \/>\nis en geen verdere uitvoeringsmaatregelen behoeft, dat de verbodsbepaling<br \/>\nrechtstreekse werking in de Belgische interne rechtsorde heeft, dat verzoekende<br \/>\npartijen gerechtigd zijn de onverenigbaarheid van de belastingverordening met die<br \/>\nbepaling, en bijgevolg de onwettigheid van de belastingverordening, te laten<br \/>\nvaststellen, dat de belasting wel degelijk is \u201copgelegd voor het enkele recht van het<br \/>\nvliegen over, het binnenvliegen in of het vertrek uit het grondgebied\u201d, dat het immers<br \/>\ngaat om een belasting op de uitbating van vliegtuigen, hetzij het louter laten<br \/>\ndeelnemen aan het luchtverkeer van vliegtuigen vanuit en\/of naar het grondgebied<br \/>\nvan de gemeente, waarbij als indicie van de belastbare uitbating het aantal<br \/>\nvertrekkende passagiers wordt gehanteerd, dat de belasting niet wordt opgelegd in<br \/>\nruil voor een aanwijsbare dienst verstrekt door de overheid, dat het een verplichte<br \/>\ngeldelijke bijdrage is die de uitgaven van de overheid moet dekken, dat de belasting<br \/>\ngeen retributie, noch een verhaalbelasting betreft;<br \/>\n3.1.2. Overwegende dat, in de memories van antwoord, verwerende partij<br \/>\nhet belang bij het middel betwist van de Belgische Staat omdat hij geen<br \/>\nbelastingplichtige is, noch beweert dat de gemeente een bevoegdheid heeft<br \/>\nuitgeoefend die hem is voorbehouden;<br \/>\nOverwegende dat, voorts, verwerende partij in de eerste plaats<br \/>\nrepliceert dat artikel 15 van het Verdrag van Chicago geen rechtstreekse werking<br \/>\nheeft in Belgi\u00eb, dat de verdragsluitende partijen niet de bedoeling hebben gehad<br \/>\nrechtstreekse werking aan het verdrag toe te kennen, dat zulks zowel uit de inleiding<br \/>\nvan het verdrag als uit de artikelen 37 en 38 ervan blijkt, dat ook het Hof van<br \/>\nCassatie en de rechtsleer van mening zijn dat het verdrag geen rechtstreekse werking<br \/>\nheeft, dat een bijkomend argument ter ondersteuning van het gebrek aan<br \/>\nrechtstreekse werking en de noodzaak van uitvoerende maatregelen kan worden<br \/>\ngevonden in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 15<br \/>\nmaart 1954 tot regeling der luchtvaart;<br \/>\nOverwegende dat verwerende partij vervolgens betoogt dat het<br \/>\nartikel 15 enkel discriminaties verbiedt tussen luchtvaartuigen van andere<br \/>\nverdragsluitende staten en Belgische luchtvaartuigen, dat die beperkte draagwijdte<br \/>\nkan worden opgemaakt uit de tekst zelf van het artikel in zijn geheel en uit andere<br \/>\nverdragsbepalingen waarin dezelfde doelstelling van gelijke behandeling wordt<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-7\/18<br \/>\nteruggevonden, dat er te dezen van een dergelijke discriminatie geen sprake is<br \/>\naangezien zowel Belgische als buitenlandse uitbaters op eenzelfde wijze worden<br \/>\nbehandeld;<br \/>\nOverwegende dat ten slotte verwerende partij uiteenzet dat de<br \/>\nbelasting niet is opgelegd voor het enkele recht van het vliegen over, het<br \/>\nbinnenvliegen in of het vertrek uit het grondgebied van de gemeente, dat het<br \/>\nbelastbare feit de uitbating van vliegtuigen is, zonder verwijzing \u201cnaar het \u2018binnen<br \/>\nvliegen\u2019, \u2018vliegen over\u2019 of \u2018vertrek\u2019\u201d, dat dergelijke gebeurtenissen slechts het<br \/>\nvoorwerp van een indirecte belasting zouden kunnen uitmaken, dat de uitgevaardigde<br \/>\nbelasting daarentegen als een directe belasting te kwalificeren is, hetzij een belasting<br \/>\ndie een voortdurende toestand, de uitbating van vliegtuigen, treft;<br \/>\n3.1.3. Overwegende dat in de zaak A.69.837 de verzoekende partijen in<br \/>\nde memorie van wederantwoord dupliceren dat het verbod van artikel 15, in fine,<br \/>\nvolledig en onvoorwaardelijk is en dat verwerende partij er door gebonden is, dat het<br \/>\nartikel moet worden beoordeeld in het licht van het fundamenteel beginsel van de<br \/>\ngelijkheid tussen de verdragsluitende staten en in het licht van de daaraan gekoppelde<br \/>\nvrijheid van overvliegen, binnen- en buitenvliegen, rekening houdend met de<br \/>\nmogelijkheid voor de staten om het gebruik van luchthavens en vliegroutes op te<br \/>\nleggen, dat door een al te hoge kosten- of lastenoplegging de genoemde gelijkheid<br \/>\nen vrijheid in het gedrang kunnen worden gebracht, dat bijgevolg een systeem is<br \/>\ngeschapen waarbij het gebruik van de luchthavens en lucht-vaartfaciliteiten wordt<br \/>\nbekostigd door de luchtvaartmaatschappijen, op een gecontroleerde manier, dat<br \/>\nslechts vergoedingen of retributies mogen worden geheven, zijnde een billijke<br \/>\nvergoeding voor een individualiseerbare tegenprestatie verstrekt door de overheid en<br \/>\nwaarvan vrijwillig gebruik wordt gemaakt;<br \/>\nOverwegende dat de verzoekende partijen er dan op wijzen dat de<br \/>\ngrondwettelijke voorwaarden van goedkeuring en publicatie van het Verdrag van<br \/>\nChicago vervuld zijn, zodat de duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen ervan<br \/>\ndoor de Belgische hoven en rechtbanken moeten worden toegepast, dat vanwege het<br \/>\nobjectief karakter van het beroep tot nietigverklaring de Raad van State zich kan<br \/>\nbeperken tot de objectieve vaststelling van de miskenning van het artikel 15, zonder<br \/>\nte moeten nagaan of het al dan niet subjectieve rechten toekent, dat de aard zelf van<br \/>\nhet artikel zijn rechtstreekse werking meebrengt, en dat ook een onderzoek van de<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-8\/18<br \/>\nbedoeling van de verdragsluitende staten bij de conclusie van rechtstreekse werking<br \/>\nuitkomt;<br \/>\n3.1.4. Overwegende dat in de zaak A.69.876, de Belgische Staat in de<br \/>\nmemorie van wederantwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel<br \/>\nantwoordt dat hij het Verdrag van Chicago heeft ondertekend, dat hij de<br \/>\ninternationaal aansprakelijke partij voor de naleving ervan in de interne rechtsorde<br \/>\nis en dat te dezen alleen een optreden in rechte de schending van de internationale<br \/>\nrechtsregel ongedaan kan maken;<br \/>\nOverwegende dat, ten gronde, de Belgische Staat benadrukt en<br \/>\nbeargumenteert dat de verbodsbepaling in artikel 15, in fine, van het Verdrag van<br \/>\nChicago rechtstreekse werking toekomt en dat de bestreden belasting het vertrek van<br \/>\npassagiersvliegtuigen vanuit het Belgisch grondgebied belast, zodat de taks strijdig<br \/>\nis met het artikel 15, in fine;<br \/>\n3.1.5. Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar memories<br \/>\nin hoofdzaak aansluit bij de argumentatie van de verzoekende partijen; dat zij van<br \/>\nmening is dat artikel 15 van het Verdrag van Chicago zonder enige twijfel directe<br \/>\nwerking heeft en dat \u201cmoeilijk [is] in te zien waaruit de uitbating van vliegtuigen zou<br \/>\nkunnen bestaan, tenzij dan uit het \u2018vliegen over, het binnenvliegen in of het vertrek<br \/>\nuit\u2019 het grondgebied van de verdragsstaten\u201d;<br \/>\n3.1.6. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie allereerst<br \/>\nvan oordeel blijft dat artikel 15 van het Verdrag van Chicago geen rechtstreekse<br \/>\nwerking heeft; dat zij meent dat het verdrag slechts de verdragsluitende staten<br \/>\nverplicht mee te werken aan het verkrijgen van de grootst mogelijke mate van<br \/>\neenvormigheid en dat op het vlak van de rechtstreekse werking niets in het verdrag<br \/>\ntoelaat enig onderscheid te maken tussen de bepalingen van het verdrag en de<br \/>\nbijlagen bij het verdrag;<br \/>\nOverwegende dat de verwerende partij ook nog beklemtoont dat<br \/>\nartikel 15, \u201cals een geheel gelezen\u201d, wel degelijk de verdragsstaten toelaat belastingen<br \/>\nop te leggen in verband met de activiteiten van luchtvaartuigen of uitbaters van<br \/>\nluchtvaartuigen, op voorwaarde dat zij niet discriminatoir zijn en niet worden<br \/>\nopgelegd enkel voor het overvliegen van het grondgebied van een staat;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-9\/18<br \/>\nOverwegende dat nader wordt geargumenteerd dat het verdrag<br \/>\nmoet worden gelezen \u201cin functie van de bevordering en de vergemakkelijking van het<br \/>\ninternationaal verkeer dat een uitzondering vormt op de soevereiniteit van de staten<br \/>\nover hun luchtruim\u201d, dat het recht van overvliegen een uitzondering op die<br \/>\nsoevereiniteit is, dat met het oog op het vrijwaren van dat recht het artikel 15 een<br \/>\ngelijke behandeling oplegt van alle vliegtuigen, ongeacht hun nationaliteit, dat immers<br \/>\neen ongelijke behandeling van nationale en buitenlandse vliegtuigen een belangrijke<br \/>\nhinderpaal zou vormen voor het internationale luchtverkeer, dat er van zo een<br \/>\nongelijke behandeling te dezen evenwel geen sprake is;<br \/>\nOverwegende dat verwerende partij bovendien uitlegt dat<br \/>\nartikel 15, in fine, van het verdrag alleen de heffingen verbiedt \u201cdie uitsluitend<br \/>\nverband houden met een overvlucht, waarmee zich vereenzelvigt het binnenvliegen<br \/>\nen het vertrek uit een nationaal grondgebied\u201d en dat het zeker niet is \u201comdat de<br \/>\nuitbating van vliegtuigen [&#8230;] in wezen bestaat uit het (laten) \u2018vliegen\u2019 over, het<br \/>\n\u2018binnenvliegen\u2019 in, en het \u2018vertrek\u2019 uit het grondgebied dat [&#8230;] dient te worden<br \/>\ngesteld dat de essentie van de exploitatie van vliegtuigen zodanig is dat een belasting<br \/>\nop dergelijke uitbating vanzelfsprekend een belasting op het binnen- en buitenvliegen<br \/>\nvan deze vliegtuigen uitmaakt\u201d; dat verwerende partij besluit dat indien de bestreden<br \/>\nbelasting strijdig is met het artikel 15 van het Verdrag van Chicago, dan alle taksen<br \/>\nen belastingen geheven ten laste van de luchtvaart-maatschappijen, ongeacht hun aard<br \/>\nen berekeningswijze, met het artikel strijdig zijn;<br \/>\n3.2. Overwegende dat naar volkenrecht in principe de staat<br \/>\naansprakelijk is ingeval van niet-naleving van een internationale regel of verbintenis,<br \/>\nweze het door een van zijn staatkundige onderdelen; dat de Belgische Staat er dan<br \/>\nook een voldoende belang bij heeft om met het oog op de vernietiging van de<br \/>\nbestreden belasting als middel te doen gelden -al dan niet op juiste grond- dat zij<br \/>\nzodanige internationale regel of verbintenis schendt; dat verwerende partij ten<br \/>\nonrechte de Belgische Staat belang bij het besproken middel ontzegt;<br \/>\n3.3. Overwegende dat het middel de schending aanvoert van artikel 15,<br \/>\nlaatste lid, van het Verdrag betreffende de Internationale Burgerlijke Luchtvaart; dat<br \/>\nhet artikel 15 luidt als volgt :<br \/>\n\u201cElke luchthaven in een verdragsluitende Staat, opengesteld voor openbaar<br \/>\ngebruik door zijn eigen luchtvaartuigen zal op gelijke wijze, behoudens het<br \/>\nbepaalde in artikel 68, onder gelijke voorwaarden opengesteld zijn voor de<br \/>\nluchtvaartuigen van alle andere verdragsluitende Staten. Deze gelijke<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-10\/18<br \/>\nvoorwaarden zullen betrekking hebben op het gebruik door luchtvaartuigen van<br \/>\niedereen verdragsluitenden Staat, van alle luchtvaartfaciliteiten, radio- en<br \/>\nmeteorologische diensten inbegrepen, welke voor openbaar gebruik voor de<br \/>\nveiligheid en bespoediging van de luchtvaart kunnen worden verschaft.<br \/>\nDe kosten opgelegd door of met toestemming van een verdragsluitenden<br \/>\nStaat voor het gebruik van zodanige luchthavens en luchtvaartfaciliteiten door<br \/>\nde luchtvaartuigen van een anderen verdragsluitenden Staat mogen niet hoger<br \/>\nzijn :<br \/>\na) ten aanzien van niet op geregelde internationale diensten gebezigde<br \/>\nluchtvaartuigen, dan die, welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen<br \/>\nluchtvaartuigen van dezelfde klasse, gebezigd voor dezelfde doeleinden, en<br \/>\nb) ten aanzien van in geregelde internationale luchtdiensten gebezigde<br \/>\nluchtvaartuigen, dan die, welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen<br \/>\nluchtvaartuigen, gebezigd in soortgelijke internationale luchtdiensten.<br \/>\nAl deze kosten worden openbaar gemaakt en medegedeeld aan de<br \/>\nInternationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, met dien verstande, dat, op<br \/>\nverzoek van een belanghebbenden verdragsluitenden Staat, de kosten, opgelegd<br \/>\nvoor het gebruik van luchthavens en andere faciliteiten, onderworpen worden<br \/>\naan een onderzoek door den Raad, die daarover verslag zal uitbrengen en<br \/>\naanbevelingen terzake zal doen ter overweging van den daarbij betrokken Staat<br \/>\nof Staten.<br \/>\nGeen tarieven, rechten of andere kosten mogen door een verdragsluitenden<br \/>\nStaat worden opgelegd voor het enkele recht van het vliegen over, het<br \/>\nbinnenvliegen in of het vertrek uit zijn grondgebied door een luchtvaartuig van<br \/>\neen verdragsluitenden Staat of van personen of eigendommen daarin\u201d;<br \/>\nOverwegende dat het verdrag op 7 december 1944 te Chicago<br \/>\nondertekend is geworden; dat artikel 1 van de wet van 30 april 1947 bepaalt dat het<br \/>\nverdrag \u201cvolledige uitwerking\u201d zal hebben; dat, volgens het artikel 2, de wet in<br \/>\nwerking treedt op de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad; dat de<br \/>\nbekrachtiging van het verdrag op 5 mei 1947 plaatshad; dat de wet en het verdrag<br \/>\nzijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 1948;<br \/>\nOverwegende evenwel dat het niet volstaat dat het verdrag van<br \/>\n7 december 1944 in het interne recht is ge\u00efncorporeerd, om op grond van het<br \/>\naangehaalde artikel 15, laatste lid, de aangevochten belasting te kunnen vernietigen;<br \/>\ndat ook vereist is dat de betrokken bepaling directe werking heeft;<br \/>\n3.4. Overwegende dat het artikel 15, laatste lid, de verdragsluitende<br \/>\nstaten zonder meer verbiedt om de in dat lid bedoelde \u201ctarieven, rechten of andere<br \/>\nkosten\u201d op te leggen uitsluitend voor het overvliegen van, het binnenvliegen in of het<br \/>\nvertrek uit zijn grondgebied van een vliegtuig van een verdragsluitende staat, of van<br \/>\nde personen en goederen daarin; dat, als zodanig, die bepaling voldoende precies en<br \/>\nduidelijk is om in rechte aangevoerd te kunnen worden zonder dat zij nog<br \/>\nvoorafgaandelijk te nemen uitvoeringsmaatregelen behoeft; dat het voorschrift klare<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-11\/18<br \/>\nen onvoorwaardelijke perken aan de handelingsruimte stelt en, bijgevolg, toelaat te<br \/>\nverifi\u00ebren of die limieten gerespecteerd zijn; dat het dan ook van die aard is dat het<br \/>\nonmiddellijk kan worden toegepast ter eventuele vernietiging van de administratieve<br \/>\nhandelingen die er mee strijdig zouden zijn;<br \/>\n3.5. Overwegende dat zo de objectieve merites van de bepaling niet het<br \/>\nvolkomen bewijs inhouden dat de verdragsluitende partijen ook effectief gewild<br \/>\nhebben om directe werking aan het voorschrift te verlenen, zij dan toch een ernstige<br \/>\naanwijzing daarvoor uitmaken; dat, anders dan verwerende partij meent, die<br \/>\naanwijzing niet ontkracht wordt door \u201cde tekst zelf\u201d van het verdrag -\u201cin het<br \/>\nbijzonder de inleiding ervan, alsmede artikelen 37 en 38\u201d-, noch door de rechtspraak<br \/>\nen rechtsleer waarop zij zich beroept;<br \/>\n3.6. Overwegende dat in de inleiding van het verdrag wordt gesteld :<br \/>\n\u201cOverwegende, dat de toekomstige ontwikkeling van de internationale<br \/>\nburgerlijke luchtvaart belangrijk kan bijdragen tot het scheppen en bewaren van<br \/>\nvriendschap en goed begrip tusschen de nati\u00ebn en volkeren van de wereld, doch<br \/>\ndat misbruik daarvan een bedreiging kan worden voor de algemene veiligheid;<br \/>\nen<br \/>\nOverwegende, dat het wenschelijk is, wrijving te voorkomen en die<br \/>\nsamenwerking tusschen nati\u00ebn en volkeren te bevorderen, waarvan de<br \/>\nwereldvrede afhangt;<br \/>\nZoo is het, dat de ondergeteekende Regeeringen, het eens geworden zijnde<br \/>\nomtrent zekere beginselen en regelingen teneinde te verzekeren, dat de<br \/>\ninternationale burgerlijke luchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en<br \/>\nordelijke wijze en dat internationale luchtvervoerdiensten ingesteld kunnen<br \/>\nworden op de basis van gelijke kansen en ge\u00ebxploiteerd kunnen worden op<br \/>\ngezonde en economische wijze;<br \/>\nDienovereenkomstig tot dat doel dit Verdrag hebben gesloten\u201d;<br \/>\nOverwegende dat volgens de aangehaalde inleiding het verdrag<br \/>\n\u201czekere beginselen en regelingen\u201d bevat met het oog op het verzekeren van de<br \/>\nnagestreefde doeleinden; dat het niet opgaat a priori uit het gebruik van de woorden<br \/>\n\u201cbeginselen en regelingen\u201d de wil te deduceren om de verdragsbepalingen alleen<br \/>\ntoegepast te zien worden nadat uitvoeringsmaatregelen zijn genomen; dat per slot<br \/>\nvan rekening een beginsel een grondregel of fundamentele stelling is, en een regeling<br \/>\neen geheel van voorschriften; dat dan ook de beginselen of regelingen, wanneer zij<br \/>\n-zoals het laatste lid van artikel 15- precies en volledig zijn, eerder de wil doen<br \/>\nveronderstellen om er directe werking aan toe te kennen, dan de wil om slechts in een<br \/>\nnog nader uit te werken richtlijn te voorzien;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-12\/18<br \/>\n3.7. Overwegende dat luidens artikel 37, eerste lid, van het verdrag,<br \/>\nelke verdragsluitende staat zich verbindt \u201cmede te werken\u201d tot het verkrijgen van \u201cde<br \/>\ngrootst mogelijke mate van eenvormigheid\u201d in de voorschriften, normen, methoden<br \/>\nen organisatie met betrekking tot luchtvaartuigen, personeel, luchtlijnen en<br \/>\nhulpdiensten in alle gevallen waarin zo\u2019n eenvormigheid de luchtvaart zal<br \/>\nvergemakkelijken en ten goede komen; dat volgens het tweede lid met dat doel de<br \/>\nInternationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie internationale normen en<br \/>\naanbevolen werkwijzen zal aanvaarden en wijzigen, die, aldus artikel 54, l),<br \/>\ngemakshalve bijlagen bij het verdrag zullen uitmaken; dat artikel 38 luidt als volgt :<br \/>\n\u201cEen Staat, die het onuitvoerbaar acht in alle opzichten dergelijke<br \/>\ninternationale normen of methodes na te leven dan wel zijn eigen voorschriften<br \/>\nof werkwijzen geheel in overeenstemming te brengen met de internationale<br \/>\nnormen of methodes, nadat deze zullen zijn gewijzigd, of die het nodig acht,<br \/>\nvoorschriften of werkwijzen te aanvaarden, welke in een bepaald opzicht<br \/>\nafwijken van die, vastgesteld bij een internationale norm, dient onmiddellijk aan<br \/>\nde Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie kennis te geven van de<br \/>\nverschillen tusschen zijn eigen werkwijzen en de internationale normen. In geval<br \/>\nvan wijziging van internationale normen doet een Staat, die niet de noodige<br \/>\nwijzigingen aanbrengt in zijn eigen voorschriften of werkwijzen, binnen een<br \/>\ntermijn van zestig dagen aan den Raad mededeeling van de aanvaarding van de<br \/>\nwijziging in de internationale norm of geeft hij de maatregelen aan, welke hij zich<br \/>\nvoorstelt te nemen. In dergelijke gevallen doet de Raad onmiddellijk aan alle<br \/>\nandere Staten mededeeling van het verschil, hetwelk bestaat tusschen een of<br \/>\nmeer kenmerken van de internationale norm en de overeenkomstige nationale<br \/>\nwerkwijze van dien Staat\u201d;<br \/>\nOverwegende dat de artikelen 37 en 38 de internationale normen<br \/>\nen aanbevolen werkwijzen betreffen waartoe de Internationale Burgerlijke Luchtvaart<br \/>\nOrganisatie, die door artikel 43 van het verdrag wordt ingesteld, zal besluiten; dat de<br \/>\nartikelen, en dus ook de derogatiemogelijkheid die zij aan de verdragsluitende staten<br \/>\ntoelaten ten opzichte van de genoemde normen en werkwijzen, niets van doen hebben<br \/>\nmet het voorschrift van artikel 15, laatste lid; dat dit voorschrift niet alleen geen norm<br \/>\nof werkwijze als bedoeld in de artikelen 37 en 38 is, maar bovendien van meet af aan<br \/>\n-in het initi\u00eble tekstvoorstel van de Verenigde Staten voor artikel 9 van het verdragis<br \/>\nontworpen als een absoluut verbod en dit karakter heeft behouden tot in de<br \/>\neindversie van het artikel 15 van het verdrag; dat bijgevolg de artikelen 37 en 38 niet<br \/>\ndienstig worden aangevoerd ter beoordeling van de intentie van de verdragsluitende<br \/>\npartijen om het laatste lid van artikel 15 al dan niet directe werking te laten genieten;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-13\/18<br \/>\n3.8. Overwegende dat in essentie om dezelfde reden ook de rechtspraak<br \/>\ndie verwerende partij in de memorie van antwoord en de laatste memorie inroept ter<br \/>\nbewijs van het beweerde gebrek aan directe werking van artikel 15, laatste lid,<br \/>\nrelevantie mist; dat zowel het arrest van 3 oktober 1957 van het Belgische Hof van<br \/>\nCassatie als de arresten van 29 juni 1972 en 27 juni 1973 van het Franse Hof van<br \/>\nCassatie \u00e9n het arrest van 7 oktober 1998 van de Franse Raad van State wezenlijk<br \/>\nbetrekking hebben op het probleem van de directe werking van de bijlagen bij het<br \/>\nverdrag van 7 december 1944; dat de commentaren in de rechtsleer die verwerende<br \/>\npartij bijbrengt, dit bevestigen; dat de kwestie van de directe werking van de bijlagen<br \/>\nbij het verdrag zich fundamenteel anders voordoet dan die van de directe werking van<br \/>\nhet artikel 15, laatste lid; dat, aangaande de bijlagen, het voormelde arrest van de<br \/>\nFranse Raad van State uit de artikelen 37 en 38 van het verdrag afleidt dat de normen<br \/>\nen werkwijzen die de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie heeft<br \/>\naangenomen, gelet op de mogelijkheid om er van af te wijken, slechts aanbevelingen<br \/>\naan de staten uitmaken; dat het verbod in artikel 15, laatste lid, daarentegen geheel<br \/>\nvreemd is aan de artikelen 37 en 38, en geen enkele afwijking duldt;<br \/>\nOverwegende dat, nog altijd vanwege de onvergelijkbaarheid van<br \/>\nhet voorschrift in artikel 15, laatste lid, met de voorschriften in de bijlagen bij het<br \/>\nverdrag, ook het \u201cbijkomend argument\u201d dat verwerende partij uit het verslag aan de<br \/>\nKoning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der<br \/>\nluchtvaart put om artikel 15, laatste lid, directe werking te ontzeggen, niet ter zake<br \/>\ndoet; dat verwerende partij terecht uit het verslag citeert dat wanneer Belgi\u00eb de<br \/>\novereenkomst van 7 december 1944 bekrachtigd heeft, het zich verbonden heeft \u201cin<br \/>\nde mate van het mogelijke eenheid te brengen in sommige voorschriften van publiek<br \/>\nrecht\u201d; dat het verslag evenwel verder gaat en stelt: \u201cDe huidige reglementering<br \/>\nvloeit dienvolgens hoofdzakelijk voort uit de internationale standaarden en<br \/>\naanbevolen praktijken die door de Organisatie van de Internationale Burgerlijke<br \/>\nLuchtvaart werden opgemaakt en de bijlagen tot die Overeenkomst vormen\u201d; dat met<br \/>\nandere woorden, zoals ook uit het betreffende advies van de afdeling wetgeving van<br \/>\nde Raad van State kan worden opgemaakt (Omnil., 1954, nr. 283), het verslag aan<br \/>\nde Koning kennelijk refereert aan het engagement in artikel 37 van het verdrag om<br \/>\nde grootst mogelijke mate van eenvormigheid in de reglementering te bereiken,<br \/>\nwanneer die eenvormigheid de luchtvaart kan vergemakkelijken en ten goede komen,<br \/>\nen om zich te conformeren aan de bijlagen bij het verdrag; dat herhaald moet worden<br \/>\ndat het artikel 37 en de bijlagen niet ter zake doen met betrekking tot de werking en<br \/>\ntoepassing van artikel 15, laatste lid;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-14\/18<br \/>\n3.9. Overwegende dat artikel 15, laatste lid, van het Verdrag<br \/>\nbetreffende de Internationale Burgerlijke Luchtvaart directe werking heeft en voor<br \/>\nde Raad van State kan worden aangevoerd ter vernietiging van de bestreden<br \/>\nbelasting;<br \/>\n3.10. Overwegende dat het artikel 15 de basisregels bevat aangaande de<br \/>\nkosten met betrekking tot publieke luchthavens en luchtvaartfaciliteiten; dat<br \/>\nverwerende partij terecht opmerkt dat het verbiedt buitenlandse en nationale<br \/>\nluchtvaartuigen ongelijk te behandelen; dat het echter ook meer doet; dat het, in het<br \/>\nlaatste lid, een verdragsluitende staat niet slechts beveelt om zich ervan te onthouden<br \/>\ndiscriminerende tarieven, rechten of andere kosten op te leggen voor het enkele recht<br \/>\nvan het vliegen over, het binnenvliegen in of het vertrek uit zijn grondgebied door een<br \/>\nluchtvaartuig van een verdragsluitende staat of van personen of eigendommen daarin,<br \/>\nmaar verbiedt om \u00fcberhaupt tarieven, rechten of andere kosten vast te stellen die<br \/>\nlouter zijn ingegeven door het over-, binnen- of buitenvliegen en die niets met het<br \/>\ngebruik van de luchthaven en luchtvaartfaciliteiten hebben uit te staan;<br \/>\nOverwegende dat dit laatste lid zich dan ook wezenlijk laat lezen<br \/>\nen begrijpen, niet in de eerste plaats als een maatregel die wil verzekeren dat<br \/>\ninternationale luchtvervoerdiensten op basis van gelijke kansen kunnen worden<br \/>\ningesteld, maar als een maatregel die er voor moet zorgen dat die luchtvervoerdiensten<br \/>\n-met de woorden van de inleiding tot het verdrag van 7 december 1944-<br \/>\n\u201cge\u00ebxploiteerd kunnen worden op gezonde en economische wijze\u201d;<br \/>\nOverwegende dat zodoende het artikel 15, laatste lid, de materi\u00eble<br \/>\nfiscale bevoegdheid beperkt van de staat evenals van zijn staatkundige onderdelen,<br \/>\nwaaronder de gemeenten;<br \/>\n3.11. Overwegende dat de bestreden belasting er een is \u201cop de uitbating<br \/>\nvan vliegtuigen\u201d en door artikel 2 dan ook ten laste wordt gelegd van de uitbaters<br \/>\nvan vliegtuigen; dat artikel 3 van het aangevochten reglement als uitbaters aanwijst,<br \/>\nzij die een burgerlijk vliegtuig \u201cregelmatig laten deelnemen aan het luchtverkeer,<br \/>\nvanuit en\/of naar het grondgebied van de gemeente\u201d; dat aldus onder de uitbating van<br \/>\nvliegtuigen begrepen moet worden en als belastbaar feit aangemerkt moet worden:<br \/>\nhet regelmatig wegvliegen uit en\/of het binnenvliegen in de gemeente Zaventem van<br \/>\nburgerlijke vliegtuigen;<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-15\/18<br \/>\nOverwegende, tevens, dat verwerende partij voor de Raad van<br \/>\nState niet betuigt, laat staan aannemelijk maakt, dat de belasting verantwoord wordt<br \/>\ndoor of gelieerd is aan enigerlei prestatie die de verwerende partij zou dienen te<br \/>\nverlenen of zou hebben verleend met betrekking tot het gebruik, door de<br \/>\nbelastingplichtige uitbaters, van de luchthaven en de luchtvaartfaciliteiten; dat,<br \/>\nintegendeel, de verwerende partij met zoveel woorden stelt, op bladzijde 11 van de<br \/>\nmemorie van antwoord: \u201cDe door de gemeente aangeboden diensten, waarvoor<br \/>\nvergoeding wordt gevraagd, worden verstrekt aan de bevolking van de gemeente in<br \/>\nhet algemeen, met inbegrip van de op de luchthaven gevestigde ondernemingen, maar<br \/>\nworden niet ingezet en zijn dus niet bestemd voor luchtvaart of -verkeer\u201d; dat het dan<br \/>\nook geen verwondering mag wekken dat verwerende partij op geen enkele wijze de<br \/>\nstelling in het auditoraatsverslag betwist dat niet kan worden besloten dat de<br \/>\nbestreden heffing in wezen een vergoeding zou zijn voor prestaties waaruit de<br \/>\nluchtvaartmaatschappijen rechtstreeks voordeel halen;<br \/>\n3.12. Overwegende dat, om niettemin de bestreden belasting geen door<br \/>\nhet artikel 15, laatste lid, van het verdrag verboden tarief, recht of andere kost te<br \/>\nachten, verwerende partij er op wijst dat de gemeentelijke belasting niet is gevestigd<br \/>\nop elke landing of elk vertrek, noch na elke landing of vertrek wordt geheven; dat die<br \/>\nvaststellingen zonder belang zijn; dat zij alleen ter zake doen in de visie dat het artikel<br \/>\n15, laatste lid, slechts een indirecte belasting kan betreffen, wijl de bestreden belasting<br \/>\nals een directe belasting gekwalificeerd moet worden; dat die visie evenwel grond<br \/>\nmist; dat artikel 15, laatste lid, belastingen voor het enkele recht van over-, binnenen<br \/>\nbuitenvliegen verbiedt, ongeacht of dit over-, binnen- en buitenvliegen als een<br \/>\nuiteraard toevallig feit dan wel een duurzame toestand te beschouwen zou zijn, en<br \/>\ndus ongeacht of de belastingen als een, respectievelijk, indirecte of directe belasting<br \/>\nte aanzien zijn;<br \/>\nOverwegende dat ook de argumenten dat het belastbare feit de<br \/>\nuitbating van vliegtuigen is \u201czonder enige verwijzing naar het \u2018binnen vliegen\u2019,<br \/>\n\u2018vliegen over\u2019 of \u2018vertrek\u2019\u201d, en dat het aantal vertrekkende passagiers \u201cslechts als<br \/>\nindicie van de belastbare uitbating [wordt] gebruikt\u201d, niet overtuigen; dat, als gezien,<br \/>\nde aangevochten belasting op de uitbating van vliegtuigen in essentie te identificeren<br \/>\nis als een belasting op het buitenvliegen uit en het binnenvliegen in de gemeente; dat<br \/>\nde gehanteerde indicie in dit verband geenszins onbelangrijk is, maar juist<br \/>\nveelbetekenend; dat immers de berekeningsbasis in overeenstemming moet zijn met<br \/>\nde oorzaak van eisbaarheid van de belasting; dat, volgens het artikel 4, de belasting<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-16\/18<br \/>\nwordt berekend op het aantal passagiers dat, tijdens het jaar voorafgaand aan het<br \/>\ndienstjaar, vanuit de luchthaven op het grondgebied van de gemeente is vertrokken,<br \/>\na rato van 12 frank per vertrekkende passagier; dat aldus het artikel de conclusie dat<br \/>\nde belasting specifiek (onder meer) het buitenvliegen uit de gemeente beoogt, mee<br \/>\nondersteunt, en bevestigt;<br \/>\n3.13. Overwegende dat, besluitend, de bestreden belasting in strijd is met<br \/>\nhet verbod in artikel 15, laatste lid, van het verdrag van 7 december 1944 om<br \/>\ntarieven, rechten of kosten te heffen -anders dan voor het gebruik van de luchthaven<br \/>\nof luchtvaartfaciliteiten- louter op het binnenvliegen in of het vertrek uit het<br \/>\ngrondgebied door een luchtvaartuig en de personen er in; dat de verwerende partij<br \/>\nten onrechte van mening is dat daaruit a priori zou volgen dat \u201com het even welke<br \/>\nbelasting\u201d die ten laste valt van de luchtvaartmaatschappijen, \u201congeacht [haar] aard<br \/>\nen berekeningswijze\u201d, met het artikel 15, laatste lid, strijdt; dat, zoals het<br \/>\nvoorafgaande uitwijst, tot de eventuele strijdigheid met het artikel 15 slechts kan<br \/>\nworden besloten nadat alle relevante aspecten van de geheven belasting zijn<br \/>\nonderzocht, inbegrepen bijvoorbeeld de berekeningsgrondslag; dat een dergelijk<br \/>\nonderzoek naar de overeenstemming met het artikel 15, laatste lid, van de<br \/>\nbelastingen, taksen en heffingen waarnaar verwerende partij in de laatste memorie<br \/>\nverwijst, te dezen overbodig, want nutteloos voorkomt; dat wat ook de conclusie met<br \/>\nbetrekking tot hun wettigheid mag zijn, die conclusie bezwaarlijk tot gevolg zou<br \/>\nkunnen hebben dat de te dezen bestreden belasting, in weerwil van de hoger gedane<br \/>\nvaststellingen, dan toch geacht moet worden de toets aan het artikel 15, laatste lid,<br \/>\nte doorstaan;<br \/>\n3.14. Overwegende dat het besproken middel gegrond is; dat het de<br \/>\nvernietiging verantwoordt van het belastingreglement van 18 december 1995 van de<br \/>\ngemeenteraad van Zaventem;<br \/>\nC. De beroepen met nrs. A.74.820 en A. 74.821<br \/>\n4. Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 18 december<br \/>\n1995, voorwerp van de beroepen met nrs. A.69.837 en A.69.876, op 24 maart 1997<br \/>\ndoor de gemeenteraad is overgedaan, wat de dienstjaren 1997 tot en met 2000<br \/>\nbetreft, uitsluitend om de belasting aan te passen aan de wet van 24 december 1996<br \/>\nbetreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeenteUniversiteit<br \/>\nGentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-17\/18<br \/>\nbelastingen; dat alle essenti\u00eble elementen van het oorspronkelijke belastingreglement<br \/>\nongewijzigd zijn gebleven;<br \/>\nOverwegende dat verzoekende partijen tegen de belasting van<br \/>\n24 maart 1997 dezelfde wettigheidskritiek aanvoeren als hierboven, naast<br \/>\nrandnummer 3.1., weergegeven; dat ook het verweer van de verwerende partij<br \/>\nidentiek is;<br \/>\nOverwegende dat het middel, om de sub 3.2. tot 3.13. aangehaalde<br \/>\nredenen, ontvankelijk is, ook wat de Belgische Staat aangaat, \u00e9n gegrond; dat het de<br \/>\nvernietiging dient mee te brengen van de belasting van 24 maart 1997 van de<br \/>\ngemeenteraad van Zaventem;<br \/>\nD. Het beroep met nr. A.76.712<br \/>\n5. Overwegende dat op 30 juni 1997 de gemeenteraad van Zaventem<br \/>\nde artikelen 8 en 10 van de 24 maart 1997 gedateerde verordening van directe<br \/>\nbelasting op de uitbating van vliegtuigen wijzigt, en besluit de \u201cgeco\u00f6rdineerde tekst<br \/>\nvan de belastingsverordening der directe belasting op de uitbating van vliegtuigen\u201d<br \/>\nals bijlage bij de beraadslaging te voegen; dat de geco\u00f6rdineerde tekst, volgens de<br \/>\nverwerende partij in de memorie van antwoord, \u201cniets [wijzigt] aan de regels vervat<br \/>\nin de oorspronkelijke verordening, zoals op 30 juni 1997 aangepast\u201d en dan ook niet<br \/>\nvoor vernietiging vatbaar is;<br \/>\nOverwegende dat verzoekende partijen dat niet betwisten; dat zij<br \/>\nde tekst van de co\u00f6rdinatie alleen aanvechten \u201cinzoverre deze co\u00f6rdinatie een<br \/>\nnovatoir karakter zou hebben, quod non\u201d;<br \/>\nOverwegende dat de bestreden \u201cbeslissing\u201d genoemd novatoir<br \/>\nkarakter niet heeft; dat het een zuivere co\u00f6rdinatie blijkt te zijn die, naar het eigen<br \/>\nzeggen van de verwerende partij, \u201coverigens niet het voorwerp uitmaakte van een<br \/>\nstemming in de Gemeenteraad\u201d; dat het beroep ertegen als niet ontvankelijk moet<br \/>\nworden verworpen,<br \/>\nUniversiteit GentFaculteit Rechtsgeleerdheid (RE) Download date: 10-11-2020<br \/>\nXII-2441-18\/18<br \/>\nB E S L U I T :<br \/>\nArtikel 1.<br \/>\nVernietigd worden 1\/ de beslissing van 18 december 1995 van de<br \/>\ngemeenteraad van Zaventem tot heffing, voor de dienstjaren 1996 tot 2000, van een<br \/>\njaarlijkse directe belasting op de uitbating van vliegtuigen op het grondgebied van de<br \/>\ngemeente en 2\/ de beslissing van 24 maart 1997 van dezelfde gemeenteraad tot<br \/>\nheffing, voor de dienstjaren 1997 tot en met 2000, van een jaarlijkse directe belasting<br \/>\nop de uitbating van vliegtuigen op het grondgebied van de gemeente.<br \/>\nArtikel 2.<br \/>\nVerworpen wordt het beroep met nr. A.69.837\/XII-2441 voor het<br \/>\noverige, evenals het beroep met nr. A. 76.712\/XII-795.<br \/>\nArtikel 3.<br \/>\nDe kosten van de beroepen met nrs. A. 69.837\/XII-2441,<br \/>\nA. 69.876\/XII-2442, A. 74.820\/XII-755 en A. 74.821\/XII-7541, bepaald op<br \/>\n1090,73 euro, komen ten laste van de verwerende partij.<br \/>\nDe kosten van het beroep met nr. A.76.712\/XII-795, bepaald op<br \/>\n520,58 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde.<br \/>\nDe kosten van de tussenkomsten, bepaald op 148,74 euro, komen<br \/>\nten laste van de tussenkomende partij.<br \/>\nAldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op<br \/>\ndrie mei 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit :<br \/>\nde HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter,<br \/>\nJ. LUST, staatsraad,<br \/>\nG. VAN HAEGENDOREN, staatsraad,<br \/>\nMevr. S. DOMS, griffier.<br \/>\nDe griffier, De voorzitter,<br \/>\nS. DOMS. D. VERBIEST.<\/p>\n","protected":false},"author":3,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[9],"tags":[14,12,17,13,16,15],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/42"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/3"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=42"}],"version-history":[{"count":9,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/42\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":644,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/42\/revisions\/644"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=42"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=42"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=42"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}