{"id":160,"date":"2001-03-12T17:45:00","date_gmt":"2001-03-12T17:45:00","guid":{"rendered":"https:\/\/ilbc.be\/?p=160"},"modified":"2021-12-16T08:46:46","modified_gmt":"2021-12-16T08:46:46","slug":"league-of-arab-states-v-t-m","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/ilbc.be\/?p=160","title":{"rendered":"League of Arab States v T. M."},"content":{"rendered":"\n<h6>Belgian Supreme Court, League of Arab States v T.M., Nr. S.99.0103.F\/1, 12 March 2001<\/h6>\n\n\n\n<pre class=\"wp-block-code\"><code>ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010312.8<\/code><\/pre>\n\n\n\n<p>The Supreme Court ruled that international norms (<em>in casu <\/em>the immunity from jurisdiction of an international organisation) can only be part of the internal legal order once they bind the Belgian state. In this case, although there was a headquarters agreement between Belgium and the League of Arab States, this agreement had not (yet) been ratified by the Federal Parliament (Chamber of Representatives). The Belgian Constitution states in art. 167 that treaties only come into effect after they have received the assent of the Chamber of Representatives. Although the Community Parliaments had already accepted the ratification, this was not yet the case for the federal Parliament. Consequently, the immunity plea was rejected, since no rights could be derived from a \u2018treaty\u2019 that was not ratified by the federal parliament. Rights could not be derived from a treaty that did not meet the (full) requirements of ratification. The League made another attempt by referring to the 1986 Vienna Convention on the Law of Treaties between States and International Organisations or between International Organisations to support the immunity exception. This treaty, however, still lacked the number of ratifications required for its entry into force. Also, the reasoning of the League that the immunity of international organisations would constitute a general principle of law was not accepted.<\/p>\n\n\n\n<div class=\"wp-block-file\"><a href=\"https:\/\/ilbc.be\/wp-content\/uploads\/2021\/12\/id_hkfqlwkt.pdf\" class=\"wp-block-file__button\" download>Download<\/a><\/div>\n\n\n\n<hr class=\"wp-block-separator\"\/>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>12 maart 2001 S.99.0103.F\/1<br \/>\nNr. S.99.0103.F.-<br \/>\nLIGA VAN DE ARABISCHE STATEN,<br \/>\nMr. Philippe G\u00e9rard en Mr. Michel Mahieu, advocaten bij het Hof<br \/>\nvan Cassatie,<br \/>\ntegen<br \/>\nT. M.,<br \/>\nMr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.<br \/>\nHET HOF,<br \/>\nGehoord het verslag van raadsheer Storck en op de conclusie<br \/>\nvan eerste adcovaat-generaal Leclercq ;<br \/>\nGelet op het bestreden arrest, op 21 januari 1999 door het<br \/>\nArbeidshof te Brussel gewezen ;<br \/>\nOver het eerste middel : schending van de aanhef, van de<br \/>\nartikelen 1, 31 en, voor zoveel nodig, 22, 26 en 30 van het<br \/>\nZetelakkoord tussen het Koninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische<br \/>\nStaten gesloten op 16 november 1995, met name<br \/>\ngoedgekeurd door de volgende akten: het decreet van de Duitse<br \/>\nGemeenschap van 20 oktober 1997 houdende instemming met de volgende<br \/>\ninternationale akten : (&#8230;) 2. het Zetelakkoord tussen<br \/>\nhet Koninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische Staten,<br \/>\nondertekend te Brussel op 16 november 1995 (B.S. 14 januari<br \/>\n1998) ; het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 maart 1998<br \/>\nhoudende instemming met het akkoord tussen het Koninkrijk Belgi\u00eb<br \/>\nen de Liga van de Arabische Staten, ondertekend te Brussel<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/2<br \/>\nop 16 november 1995 (B.S. 15 augustus 1998); de ordonnantie van<br \/>\nhet Brussels Gewest van 26 maart 1998 houdende instemming met de<br \/>\nvolgende internationale akten : (&#8230;)het Zetelakkoord tussen<br \/>\nhet Koninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische Staten,<br \/>\nondertekend te Brussel op 26 (lees : 16) november 1995 (B.S. 13<br \/>\njuni 1998) ; het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 9 februari<br \/>\n1999 houdende instemming met de volgende internationale<br \/>\nakten : (&#8230;) 7. het Zetelakkoord tussen het Koninkrijk Belgi\u00eb<br \/>\nen de Liga van de Arabische Staten, ondertekend te Brussel op 16<br \/>\nnovember 1995 (B.S. 20 maart 1999) ; het decreet van Waalse<br \/>\nGewest van 25 februari 1999 houdende instemming met het Zetelakkoord<br \/>\ntussen het Koninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische<br \/>\nStaten, ondertekend te Brussel op 16 november 1995 (B.S.<br \/>\n11 maart 1999); van de artikelen 1, 2, 11 tot 14 , 16 tot 18, 24<br \/>\ntot 27, inzonderheid 12 en 25 tot 27, van het Verdrag van Wenen<br \/>\nvan 20 (lees :21) maart 1986 inzake het verdragenrecht tussen<br \/>\nStaten en internationale organisaties of tussen internationale<br \/>\norganisaties, goedgekeurd bij de wet van 8 juni 1992 (B.S. van<br \/>\n25 december 1993); miskenning van het algemeen beginsel van<br \/>\ninternationaal recht dat de immuniteit van rechtsmacht vastlegt<br \/>\nvan de internationale organisaties ten aanzien van de Staten<br \/>\ndie hen hebben opgericht of erkend, met name vastgelegd in<br \/>\nartikel 105 van het Handvest van de Verenigde Naties ondertekend<br \/>\nte San Francisco op 26 juni 1945 en goedgekeurd bij de wet<br \/>\nvan (14 december) 1945, in artikel 28 van het Verdrag van 8<br \/>\napril 1965 tot instelling van een Raad en een Commissie welke de<br \/>\nEuropese Gemeenschappen gemeen hebben, goedgekeurd bij de wet<br \/>\nvan 13 mei 1966, en inzonderheid in artikel 1 van het Zetelakkoord<br \/>\ntussen het Koninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische<br \/>\nStaten, en schending van de artikelen 167, \u00a72 tot 4, van de<br \/>\nGrondwet en 16, \u00a71, van de bijzondere wet tot hervorming der<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/3<br \/>\ninstellingen van 8 augustus 1980, gewijzigd bij artikel 1, \u00a71,<br \/>\nvan de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale<br \/>\nbetrekkingen van de gemeenschappen en de gewesten,<br \/>\ndoordat het arrest, bij de uitspraak over de vordering van<br \/>\nverweerder tegen eiseres, de door haar aangevoerde exceptie<br \/>\nverwerpt die was afgeleid uit de immuniteit van rechtsmacht<br \/>\nwaarop zij aanspraak maakt en zulks, enerzijds, met verwijzing<br \/>\nnaar de motivering van de eerste rechter, luidens welke, volgens<br \/>\nhet arrest : &#8216;het door haar aangevoerde akkoord dat op 16<br \/>\nnovember 1995 is ondertekend niet door de Kamer van volksvertegenwoordigers<br \/>\nvan het Belgische parlement is bekrachtigd hoewel<br \/>\nartikel 167, \u00a72, in fine, van de Grondwet bepaalt dat internationale<br \/>\nverdragen in Belgi\u00eb eerst gevolg hebben nadat zij de<br \/>\ninstemming van de Kamers hebben gekregen ; bovendien toont<br \/>\n(eiseres) niet aan dat die akkoorden stilzwijgend door de Belgische<br \/>\nStaat bekrachtigd werden; de aangevoerde gegevens kunnen<br \/>\nhoogstens aantonen dat de permanente missie van de Liga erkend<br \/>\nis, maar niet de Liga van de Arabische Staten als dusdanig. Tenslotte<br \/>\nwordt de weigering om aan (eiseres) in deze zaak een<br \/>\nimmuniteit van rechtsmacht toe te kennen ook verantwoord door<br \/>\nhet feit dat het geschil een beheersdaad betreft die niet door<br \/>\nde immuniteit van rechtsmacht is gedekt&#8221; en, anderzijds,<br \/>\ndaaraan volgende eigen motivering toevoegt: &#8220;die vaststellingen<br \/>\nvan de eerste rechter moeten zeker worden bevestigd aangezien<br \/>\n(eiseres) nog steeds niet aantoont dat het Zetelakkoord van 16<br \/>\nnovember 1995 door het Belgisch Parlement zou zijn bekrachtigd,<br \/>\nte meer daar uit de bepalingen van dat akkoord blijkt dat :<br \/>\n&#8216;Artikel 28 : de Liga, de ambtenaren en de lokale medewerkers de<br \/>\nBelgische wetten en voorschriften in acht dienen te nemen.<br \/>\nArtikel 31 : elk van beide partijen de andere partij ervan in<br \/>\nkennis stelt dat aan de in haar wetgeving vereiste wetgeving<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/4<br \/>\nvereiste procedures voor de inwerkingtreding van dit Akkoord is<br \/>\nvoldaan&#8217;. De lezing van die laatste bepaling staaft de stelling<br \/>\ndat het vervullen van de formaliteiten die respectievelijk de<br \/>\ninterne orde van elke partij betreffen een noodzakelijke vereiste<br \/>\nvoor de inwerkingtreding van het Akkoord is, zodat een<br \/>\nstilzwijgende overeenkomst over de toepassing waardeloos is.<br \/>\nWelnu, en dat werd reeds gepreciseerd, (eiseres) heeft nooit<br \/>\naangetoond dat het Belgische Parlement het Zetelakkoord van 16<br \/>\nnovember 1995 zou hebben bekrachtigd (in het Frans verkeerdelijk<br \/>\n&#8216;notifi\u00e9&#8217;), zodat het niet in werking is getreden en bijgevolg<br \/>\nde immuniteit van rechtsmacht die uit dat Zetelakkoord<br \/>\nis afgeleid, niet in aanmerking kan worden genomen&#8221;,<br \/>\nterwijl, eerste onderdeel, het verbindend karakter en met<br \/>\nname de inwerkingtreding van het Zetelakkoord van 16 november<br \/>\n1995, dat een akte van internationaal recht is en als dusdanig<br \/>\nonder toepassing valt van het in het middel aangewezen Verdrag<br \/>\nvan Wenen van 21 maart 1986, door de bepalingen van dat verdrag<br \/>\nen verder door de bedingen van het Zetelakkoord zelf worden<br \/>\nbepaald ; naar luid van de artikelen 11 en 12 van het Verdrag<br \/>\nvan Wenen, de instemming van een Staat of van een internationale<br \/>\norganisatie door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking<br \/>\nwordt gebracht door ondertekening door die Staat of die organisatie,<br \/>\nwanneer het verdrag erin voorziet dat de ondertekening<br \/>\ndit gevolg heeft of wanneer het vaststaat dat de Staten of de<br \/>\norganisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen,<br \/>\nzijn overeengekomen dat de ondertekening dit gevolg heeft ;<br \/>\nnaar luid van artikel 25 van het Verdrag van Wenen, een verdrag<br \/>\nof een deel van een verdrag voorlopig wordt toegepast in<br \/>\nafwachting van zijn inwerkingtreding indien de Staten en de<br \/>\norganisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen op<br \/>\neen of andere wijze aldus zijn overeengekomen ; het Zetelakk12<br \/>\nmaart 2001 S.99.0103.F\/5<br \/>\noord van 16 november 1995 in zijn aanhef bepaalt dat de partijen<br \/>\n&#8220;wensende een akkoord te sluiten ten einde het stelsel van voorrechten<br \/>\nen immuniteiten vast te stellen dat nodig is voor de<br \/>\nuitoefening van de taken van de Liga in Belgi\u00eb&#8221; en hetzelfde<br \/>\nakkoord in zijn artikel 1 bepaalt dat de goederen en activa die<br \/>\nde Liga uitsluitend voor de uitoefening van haar offici\u00eble<br \/>\nwerkzaamheden gebruikt, immuniteit van rechtsmacht genieten,<br \/>\nbehalve voor zover de Liga er in een bijzonder geval uitdrukkelijk<br \/>\nafstand van heeft gedaan ; uit die bepalingen volgt dat<br \/>\nhet hoofddoel van het Zetelakkoord, met name het beginsel zelf<br \/>\nvan de immuniteit van rechtsmacht van eiseres, geen nieuwe<br \/>\nregel is die enkel en alleen uit het akkoord is ontstaan, maar<br \/>\neen reeds bestaande regel die het akkoord enkel preciseert en<br \/>\nwaarvan het trouwens de noodzakelijkheid vaststelt ; artikel 31<br \/>\nvan het Akkoord bepaalt dat elk van beide partijen de andere<br \/>\npartij ervan in kennis stelt dat aan de in haar wetgeving vereiste<br \/>\nprocedures voor de inwerkingtreding van dit Akkoord is<br \/>\nvoldaan en dat dit Akkoord van kracht zal blijven volgens de<br \/>\nvoorwaarden die het bepaalt ; uit de samenlezing van die bedingen<br \/>\nvolgt dat de verwijzing naar &#8220;de in haar wetgeving vereiste<br \/>\nprocedures voor de inwerkingtreding van dit Akkoord&#8221; alleen<br \/>\nbetrekking heeft op de kennisgeving die de ene partij aan de<br \/>\nandere moet doen maar dat die verwijzing het verbindend karakter<br \/>\nvan het Akkoord tussen partijen niet doen afhangen van het<br \/>\nvoltrekken van de &#8220;procedures vereist door (elke) wetgeving&#8221; ;<br \/>\ndie verwijzing dus geenszins uitsluit maar integendeel bewijst<br \/>\ndat de partijen het stelsel van de voorrechten en immuniteiten,<br \/>\ndat zij noodzakelijk achten, hebben willen bevestigen &#8211; en bij<br \/>\ndeze gelegenheid verduidelijken &#8211; en dat zij zich aldus vanaf de<br \/>\nondertekening van het verdrag hebben willen binden, of in<br \/>\nbijkomende orde dat ze zich vanaf die ondertekening voorlopig<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/6<br \/>\nhebben willen binden, althans wat betreft het beginsel van de<br \/>\nimmuniteit van rechtsmacht van eiseres ; zulks des te meer het<br \/>\ngeval is daar de in het middel aangewezen decreten en ordonnanties<br \/>\nbepalen dat zij op 16 november 1995 uitwerking zullen<br \/>\nhebben en dat hetzelfde geldt voor het ontwerp van federale wet<br \/>\ntot goedkeuring van het Zetelakkoord van 16 november 1995, dat<br \/>\nachtereenvolgens door de Senaat en door de Kamer van volksvertegenwoordigers<br \/>\nop 22 en 29 april 1999 is aangenomen en dat<br \/>\nthans ter bekrachtiging aan de Koning is voorgelegd ; artikel<br \/>\n167, \u00a72, van de Grondwet bepaalt dat de Koning de verdragen<br \/>\nsluit, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de<br \/>\naangelegenheden waarvoor de Gemeenschappen en Gewesten bevoegd<br \/>\nzijn en zegt dat die verdragen eerst gevolg hebben nadat zij de<br \/>\ninstemming van de Kamers hebben verkregen ; artikel 167, \u00a73, van<br \/>\nde Grondwet evenzo bepaalt wat betreft de verdragen die gesloten<br \/>\nzijn door de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, met name<br \/>\ndoor te zeggen dat die verdragen eerst gevolg hebben nadat zij<br \/>\nde instemming van de overeenstemmende Raad hebben verkre-gen ;<br \/>\nartikel 167, \u00a74, van de Grondwet aan de bijzondere wetgever de<br \/>\nbevoegdheid verleent om de nadere regelen vast te stellen voor<br \/>\nhet sluiten van gemengde verdragen, dat wil zeggen verdragen<br \/>\ndie betrekking hebben op federale materies en op materies die<br \/>\ntot de bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten of van een<br \/>\nvan hen behoren ; naar luid van bepalingen van de bijzondere wet<br \/>\nvan 5 mei 1993, inzonderheid van haar artikel 1, \u00a71, dat is<br \/>\ningevoegd in artikel 16, \u00a71, van de bijzondere wet van 8 augustus<br \/>\n1980, de instemming met verdragen die onder zijn bevoegdheid<br \/>\nvallen door de betrokken Raad wordt gegeven ; artikel 167<br \/>\nvan de Grondwet, in alle onderstellingen en inzonderheid in de<br \/>\nlaatste, aldus moet worden uitgelegd dat de vereiste instemming<br \/>\nde akte is waarvan de verbindende werking van het verdrag of van<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/7<br \/>\neen internationaal akkoord afhangt in de betrekkingen die<br \/>\nuitsluitend door de Belgische rechtsorde worden geregeld, terwijl<br \/>\nde verbindende werking van dat verdrag of van die overeenkomst<br \/>\nin de betrekkingen die door de internationale rechtsorde<br \/>\nworden geregeld onder toepassing valt van de regels van het<br \/>\ninternationaal recht, in dit geval het Verdrag van Wenen van 21<br \/>\nmaart 1986 ; artikel 26 van dat Verdrag bepaalt dat elk in werking<br \/>\ngetreden verdrag de partijen verbindt en door hen te goeder<br \/>\ntrouw ten uitvoer moet worden gelegd en artikel 27 van hetzelfde<br \/>\nverdrag bepaalt dat een Staat die partij is bij een verdrag zich<br \/>\nniet mag beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om<br \/>\nhet niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen ;<br \/>\nde immuniteit van rechtsmacht die aan de internationale organisaties<br \/>\nis verleend en die impliceert dat de rechtbanken van de<br \/>\nStaten helemaal geen rechtsmacht hebben, in de eerste plaats<br \/>\ntot de internationale rechtsorde behoort en het ontbreken van<br \/>\nde instemming(en) bepaald bij artikel 167 van de Grondwet dus de<br \/>\ntoepassing ervan door de Belgische rechtbanken niet in de weg<br \/>\nmag staan; daaruit volgt dat het arrest dat weigert het Zetelakkoord<br \/>\nvan 16 november 1995 toe te passen terwijl Belgi\u00eb daardoor<br \/>\nverbonden is althans wat betreft het door eiseres<br \/>\naangevoerde beginsel van de immuniteit van rechtsmacht, op<br \/>\ngrond dat de instemming (in werkelijkheid het geheel van de<br \/>\ninstemmingen) die vereist is door de Belgische grondwettelijke<br \/>\nen wettelijke regels nog niet is verworven, de artikelen 12, of<br \/>\nin bijkomende orde 25, en 26 en 27 van het Verdrag van Wenen, de<br \/>\naanhef en de artikelen 1 en 31 en, voor zoveel als nodig, 22, 26<br \/>\nen 30 van het Zetelakkoord van 16 november 1995 schendt en bovendien,<br \/>\ndoor artikel 167, \u00a72 tot 4, van de Grondwet verkeerd uit<br \/>\nte leggen, eveneens die grondwettelijke regels schendt ;<br \/>\ntweede onderdeel, de immuniteit van rechtsmacht van inter12<br \/>\nmaart 2001 S.99.0103.F\/8<br \/>\nnationale organisaties is vastgelegd in een algemeen beginsel<br \/>\nvan het internationaal publiek recht, wat een verbindende<br \/>\nformele bron is van de regels van het internationaal publiek<br \/>\nrecht, met name naar luid van artikel 38, 1, c), van het Statuut<br \/>\nvan het Internationaal Gerechtshof van 26 juni 1945,<br \/>\ngoedgekeurd bij de Belgische wet van 14 december 1945; daaruit<br \/>\nvolgt dat het arrest, door te weigeren aan eiseres de door haar<br \/>\naangevoerde immuniteit van rechtsmacht toe te kennen, het in<br \/>\nhet middel aangewezen algemeen rechtsbeginsel miskent ;<br \/>\nderde onderdeel, het Zetelakkoord van 16 november 1995 nu<br \/>\nreeds door de decreten en de ordonnantie die in het middel zijn<br \/>\naangewezen, de instemming van verschillende instanties heeft<br \/>\nverkregen met uitwerking op 16 november 1995, zodat het Zetelakkoord,<br \/>\nalthans wat betreft de materies die onder de bevoegdheid<br \/>\nvan de betrokken Gemeenschappen en Gewesten vallen, van<br \/>\nkracht is geworden en dus tot de Belgische juridische regelgeving<br \/>\nbehoort die door de Belgische rechtbanken moet worden<br \/>\ntoegepast; het arrest niet vaststelt dat de door eiseres aangevoerde<br \/>\nimmuniteit van rechtsmacht helemaal niets te maken zou<br \/>\nhebben met de materies die tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen<br \/>\nen Gewesten behoren die de voormelde akten van instemming<br \/>\nhebben genomen; daaruit volgt dat het arrest, door de<br \/>\nimmuniteit van rechtsmacht die volgt uit het Zetelakkoord van<br \/>\n16 november 1995 niet te willen erkennen, de artikelen 167, \u00a72<br \/>\nen 4 van de Grondwet en 16, \u00a71, van de bijzondere wet tot hervorming<br \/>\nder instellingen, gewijzigd bij de wet van 5 mei 1993,<br \/>\nschendt :<br \/>\nWat het eerste onderdeel betreft :<br \/>\nOver de eerste grond van niet-ontvankelijkheid die verwe12<br \/>\nmaart 2001 S.99.0103.F\/9<br \/>\nerder tegen dit onderdeel opwerpt : het Verdrag inzake het verdragrecht<br \/>\ntussen Staten en internationale organisaties of<br \/>\ntussen internationale organisaties, gesloten te Wenen op 8 juni<br \/>\n1992, is nog niet van kracht :<br \/>\nOverwegende dat de instemming van de wetgevende macht met<br \/>\neen verdrag dat verdrag slechts verbindende kracht in de<br \/>\ninterne rechtsorde verleent onder de opschortende voorwaarde<br \/>\ndat het ten aanzien van Belgi\u00eb in de internationale rechtsorde<br \/>\nvan kracht wordt ;<br \/>\nOverwegende dat het Verdrag van Wenen van 21 maart 1986<br \/>\nnaar luid van zijn artikel 85, 1, in werking treedt op de dertigste<br \/>\ndag volgend op de datum van neerlegging van de vijfendertigste<br \/>\nakte van bekrachtiging of toetreding door Staten of door<br \/>\nNamibi\u00eb, vertegenwoordigd door de Raad van de Verenigde Naties<br \/>\nvoor Namibi\u00eb ;<br \/>\nOverwegende dat die voorwaarde niet is vervuld zodat dit<br \/>\nverdrag, hoewel Belgi\u00eb zijn akte van bekrachtiging op 1 september<br \/>\n1992 heeft neergelegd, ten aanzien van Belgi\u00eb in de internationale<br \/>\nrechtsorde niet in werking is getreden ;<br \/>\nDat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden<br \/>\naangenomen ;<br \/>\nOver de tweede grond van niet-ontvankelijkheid die verweerder<br \/>\ntegen dit onderdeel opwerpt: het Zetelakkoord tussen het<br \/>\nKoninkrijk Belgi\u00eb en de Liga van de Arabische Staten, ondertekend<br \/>\nte Brussel op 16 november 1995, heeft niet de instemming van<br \/>\nde Kamers gekregen en werd niet bekrachtigd :<br \/>\nOverwegende, enerzijds, dat de instemming van de Kamers<br \/>\nmet het voornoemd Zetelakkoord is gegeven bij de wet van 9 juni<br \/>\n1999, die in het Belgisch Staatsblad van 4 november 1999 is bekendgemaakt,<br \/>\nen waarvan artikel 3 bepaalt dat zij uitwerking zal<br \/>\nhebben op 16 november 1995 ;<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/10<br \/>\nDat, anderzijds, dat Zetelakkoord aan elk van beide<br \/>\npartijen slechts een vormvereiste oplegt dat is bepaald in<br \/>\nartikel 31, eerste lid, en dat erin bestaat dat zij de andere<br \/>\npartij ervan in kennis moet stellen dat aan de in haar wetgeving<br \/>\nvereiste procedures voor de inwerkingtreding van dit akkoord is<br \/>\nvoldaan ;<br \/>\nDat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden<br \/>\naangenomen;<br \/>\nOver de gegrondheid van het onderdeel:<br \/>\nOverwegende dat, ingevolge artikel 167, \u00a72, van de Grondwet,<br \/>\nde Koning de verdragen sluit, met uitzondering van die<br \/>\nwelke betrekking hebben op de aangelegenheden, bedoeld in \u00a73<br \/>\nvan hetzelfde artikel die tot de bevoegdheid van de Gemeenschaps-<br \/>\nen Gewestraden behoren, en die verdragen eerst gevolg<br \/>\nhebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben verkregen ;<br \/>\nDat noch artikel 167, \u00a74, van de Grondwet noch artikel 16,<br \/>\n\u00a71, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der<br \/>\ninstellingen dat, ingevolge die grondwettelijke bepaling, voorschrijft<br \/>\ndat instemming met de verdragen in de aangelegenheden<br \/>\nwaarvoor hij bevoegd is, wordt verleend door de betrokken<br \/>\nGemeenschaps- of Gewestraad, afbreuk doen aan de regel dat een<br \/>\ndoor de Koning gesloten verdrag zonder instemming van de Kamers<br \/>\ngeen uitwerking kan hebben ;<br \/>\nDat die regel voorschrijft dat een dergelijk verdrag, ook<br \/>\nal is het ten aanzien van Belgi\u00eb van kracht in de internationale<br \/>\nrechtsorde, bij ontstentenis van die instemming geen verbindende<br \/>\nkracht heeft in de interne rechtsorde en dat de rechtbanken<br \/>\nhet niet mogen toepassen ;<br \/>\nOverwegende dat de immuniteit van rechtsmacht van een gedingvoerende<br \/>\npartij tot gevolg heeft dat de hoven en rechtbanken<br \/>\ndie normaal volgens het interne recht bevoegd zijn, die bev12<br \/>\nmaart 2001 S.99.0103.F\/11<br \/>\noegdheid om kennis te nemen van de vordering verliezen ;<br \/>\nOverwegende dat de Belgische rechter zich bijgevolg niet<br \/>\nonbevoegd kan verklaren wegens een immuniteit die is bepaald in<br \/>\neen verdrag dat door de Koning is gesloten maar waarmee de Kamers<br \/>\nniet hebben ingestemd ;<br \/>\nWat het derde onderdeel betreft :<br \/>\nOverwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel<br \/>\nvolgt dat een door de Koning gesloten verdrag alleen uitwerking<br \/>\nheeft na de instemming van de Kamers, zelfs als het gedeeltelijk<br \/>\nbetrekking heeft op materies die tot de bevoegdheid van de<br \/>\nGemeenschaps- en Gewestraden behoren ;<br \/>\nWat het tweede onderdeel betreft :<br \/>\nOverwegende dat er geen algemeen beginsel van het internationaal<br \/>\npubliek recht, in de zin van artikel 38, 1, c, van het<br \/>\nStatuut van het Internationaal Gerechtshof ondertekend te San<br \/>\nFrancisco op 1 juni 1945 en goedgekeurd bij de wet van 14 december<br \/>\n1945, bestaat dat de immuniteit van rechtsmacht vastlegt<br \/>\nvan de internationale organisaties ten aanzien van de Staten<br \/>\ndie hen hebben opgericht of erkend ;<br \/>\nDat de drie onderdelen, in zoverre zij ontvankelijk zijn,<br \/>\nfalen naar recht ;<br \/>\nOver het tweede middel : schending van de artikelen 1 van<br \/>\nhet Zetelakkoord dat op 16 november 1995 is gesloten tussen de<br \/>\nLiga van de Arabische Staten en het Koninkrijk Belgi\u00eb,<br \/>\ngoedgekeurd bij de in het eerste middel weergegeven decreten en<br \/>\nordonnanties, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek en<br \/>\n149 van de Grondwet,<br \/>\ndoordat het arrest bij de uitspraak over de vordering van<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/12<br \/>\nverweerder tegen eiseres, de door haar aangevoerde exceptie<br \/>\nverwerpt die was afgeleid uit de immuniteit van rechtsmacht<br \/>\nwaarop zij aanspraak maakt en zulks om de volgende redenen, die<br \/>\nvolgen op die waarbij het arrest zegt dat het Zetelakkoord van<br \/>\n16 november 1995 niet van toepassing is : &#8220;bovendien en ten<br \/>\novervloede, kan de immuniteit van rechtsmacht niet worden<br \/>\ntoegekend omdat het geschil betrekking heeft op de uitvoering<br \/>\nvan een arbeidsovereenkomst, dat is een handeling van<br \/>\npriv\u00e9-bestuur en geen handeling van de overheid. Dienaangaande<br \/>\nzegt een vaste en gevestigde rechtspraak dat de hoven en rechtbanken<br \/>\nvan de rechterlijke orde bevoegd zijn om uitspraak te<br \/>\ndoen over geschillen uit een handeling van bestuur; welnu, de<br \/>\nverbintenissen die ontstaan uit de uitvoering van een arbeidsovereenkomst<br \/>\nbehoren ontegenzeggelijk tot die categorie. ( &#8230;<br \/>\n) Die rechtspraak en (die) rechtsleer erkennen dat het, in het<br \/>\nkader van het sluiten van een arbeidsovereenkomst, gaat om een<br \/>\nhandeling van prive-bestuur en dat er dus geen immuniteit van<br \/>\nrechtsmacht kan zijn&#8221;,<br \/>\nterwijl, eerste onderdeel, in de onderstelling van die<br \/>\nmotivering, te weten die van het verbindend karakter van het<br \/>\nZetelakkoord van 16 november 1995, artikel 1 van dat akkoord<br \/>\nzonder enige beperking stelt dat de goederen en activa die eiseres<br \/>\nuitsluitend voor de uitoefening van haar offici\u00eble<br \/>\nwerkzaamheden gebruikt, immuniteit van rechtsmacht genieten,<br \/>\nbehalve voor zover de Liga er in een bijzonder geval uitdrukkelijk<br \/>\nafstand van heeft gedaan ; die bepaling helemaal geen<br \/>\nonderscheid maakt tussen de handelingen van de overheid, die<br \/>\nimmuniteit van rechtsmacht zouden genieten, en de handelingen<br \/>\nvan priv\u00e9bestuur waarvoor dat niet zou gelden ; dat onderscheid,<br \/>\ndat van toepassing kan zijn op de immuniteiten van rechtsmacht<br \/>\ndie voor de verdragsluitende Staten voortvloeien uit het<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/13<br \/>\nVerdrag van Wenen van 18 april 1961 betreffende de diplomatieke<br \/>\nbetrekkingen, daarentegen niet geldt voor de immuniteit die aan<br \/>\ninternationale organisaties is verleend krachtens het algemeen<br \/>\nbeginsel van het internationaal publiek recht waarin zij is<br \/>\nvastgelegd, of krachtens bijzondere akkoorden; daaruit volgt<br \/>\ndat het arrest door een onderscheid te maken dat in artikel 1<br \/>\nvan het Zetelakkoord niet is vervat, die bepaling schendt ;<br \/>\ntweede onderdeel, het arrest, in de onderstelling dat het<br \/>\nZetelakkoord van 16 november 1995 niet wordt beschouwd als een<br \/>\nnorm, in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek,<br \/>\ndie door het Hof wordt getoetst, die akte althans uitlegt op een<br \/>\nwijze die onverenigbaar is met zijn bewoordingen en dus de<br \/>\nbewijskracht ervan miskent (schending van de artikelen 1319,<br \/>\n1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) ;<br \/>\nderde onderdeel, eiseres in haar regelmatig aan de app\u00e8lrechters<br \/>\nvoorgelegde conclusie had gesteld dat het gemaakte<br \/>\nonderscheid tussen het &#8216;Jure imperii&#8221; en het &#8216;Jure gestionis&#8221;<br \/>\nalleen geldt voor Staten maar niet voor internationale organisaties<br \/>\nen dat een internationale organisatie volstrekte immuniteit<br \/>\ngeniet; het arrest in de weergegeven motivering dat<br \/>\nverweer helemaal niet beantwoordt (schending van artikel 149<br \/>\nvan de Grondwet) :<br \/>\nWat de drie onderdelen samen betreft :<br \/>\nOverwegende dat de door het eerste middel tevergeefs<br \/>\nbekritiseerde motieven van het arrest een voldoende grondslag<br \/>\nvormen voor de beslissing van het arbeidshof dat het bevoegd is<br \/>\nom kennis te nemen van de vordering ;<br \/>\nDat de drie onderdelen van het middel, die enkel ten overvloede<br \/>\ngegeven overwegingen van het arrest bekritiseren, die<br \/>\noverigens door dat middel als dusdanig worden betiteld, niet<br \/>\n12 maart 2001 S.99.0103.F\/14<br \/>\ntot vernietiging kunnen leiden en, zoals verweerder betoogt,<br \/>\nniet ontvankelijk zijn ;<br \/>\nOM DIE REDENEN,<br \/>\nzonder acht te slaan op de stukken die verweerder op 14<br \/>\nfebruari 2000 ter griffie heeft neergelegd zonder tussenkomst<br \/>\nvan een advocaat bij het Hof van Cassatie,<br \/>\nVerwerpt de voorziening;<br \/>\nVeroordeelt eiseres in de kosten.<br \/>\nAldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te<br \/>\nBrussel, door eerste voorzitter Marchal, de raadsheren<br \/>\nParmentier, Echement, Storck, Velu, en in openbare terechtzitting<br \/>\nvan twaalf maart tweeduizend en een uitgesproken door eerste<br \/>\nvoorzitter Marchal, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal<br \/>\nLeclercq, met bijstand van griffier Bierlaire.<br \/>\nVertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter<br \/>\nBoes en overgeschreven met assistentie van adjunct-griffier De<br \/>\nPrins.<br \/>\nDe adjunct-griffier, de afdelingsvoorzitter,<\/p>\n","protected":false},"author":9,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[7],"tags":[20,29,32,33],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/160"}],"collection":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/9"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=160"}],"version-history":[{"count":4,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/160\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":646,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/160\/revisions\/646"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=160"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=160"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/ilbc.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=160"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}